Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.3:8.4.3 Gemeentelijke herindeling in Groningen
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.3
8.4.3 Gemeentelijke herindeling in Groningen
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233613:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4366, AB 2017/416, m.nt. Boogaard en Uzman. Zie in dit verband ook Rb. Noord-Nederland (vzr.) 2 december 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:5332.
Zie r.o. 5.12.
Zie r.o. 5.14.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zojuist besproken zaken over het Oekraïne-referendum en de intrekking van de Wrr zijn niet de enige recente zaken waarin de Nederlandse rechter een inhoudelijke beoordeling achterwege heeft gelaten op een manier die sterk aan een political question-doctrine doet denken. Een voorbeeld van een andere recente zaak is die over een gemeentelijke herindeling in Groningen.1 Niet alle gemeenten in deze provincie legden zich daar zonder meer bij neer. Dit geldt in het bijzonder voor de gemeente Haren. In die gemeente bleek samenvoeging met andere gemeenten een heet hangijzer: een ruime meerderheid van de inwoners van deze gemeente had zich bij een burgerraadpleging in 2014 voor zelfstandigheid van de gemeente uitgesproken. Toch besloot de provincie korte tijd later de procedure in gang te zetten die moest uitmonden in de samenvoeging van Haren met andere gemeenten. Het Burgercomité Haren en diverse inwoners startten daarop een kort geding.
Dit kort geding had geen succes. Zoals eerder opgemerkt, geschiedt samenvoeging van gemeenten bij wet in formele zin. In navolging van de voorzieningenrechter van de rechtbank viel het hof ook in dit geval terug op het Tegelen-arrest van de Hoge Raad. Daarbij stelde het voorop dat het de rechter niet is toegestaan om te beoordelen of bij de totstandkoming van een wet toepasselijke procedurevoorschriften zijn geschonden. Deze beoordeling is exclusief voorbehouden aan de wetgever.2 De vorderingen van het Burgercomité strekten er volgens het hof toe de provincie te bevelen zich op een bepaalde wijze te gedragen, standpunten in te trekken en bepaalde stappen te nemen die tot doel hadden dat de gemeente Haren opnieuw in de gelegenheid zou worden gesteld om zich over samenvoeging met andere gemeenten uit te spreken. Daardoor zou de gevolgde procedure ingrijpend worden gewijzigd. Volgens het hof zou een inhoudelijke beoordeling daarom ook hier het lopende wetgevingsproces doorkruisen:
‘Het hof zal zich in het kader van de […] genoemde rechtspraak, welke is geënt op artikel 120 Grondwet, [...] dienen te onthouden van toewijzing van de gevorderde interventies in het wetgevingsproces, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. [Eisers] hebben, evenals de gemeente Haren, de gelegenheid om in het kader van het verdere wetgevingsproces hun argumenten, waaronder de volgens hen nog ontbrekende informatie, aan de wetgever ter kennis te brengen. Daarna is het aan de wetgever om een beslissing te nemen, waarbij alle aspecten van het wetgevingsproces zullen worden betrokken.’3