Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.4:8.4.4 Normalisering rechtspositie ambtenaren
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.4
8.4.4 Normalisering rechtspositie ambtenaren
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233672:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vierde voorbeeld van een recente zaak waarin de rechter met vergelijkbare overwegingen van een inhoudelijke beoordeling heeft afgezien, heeft betrekking op de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren.1 Deze wet voorziet in een gelijkstelling van de rechtspositie van ambtenaren aan die van werknemers in de private sector en is op 1 januari 2020 in werking getreden. De totstandkoming van deze wet was echter niet onomstreden. Diverse ambtenarenvakbonden meenden dat de Staat gehouden was met hen overleg te voeren en dit ten onrechte had nagelaten. Zij startten daarom een kort geding waarmee zij beoogden te bereiken dat de minister alsnog in overleg zou treden. Dat het wetsvoorstel reeds was aangenomen, stond daar volgens de vakbonden niet aan in de weg, nu het wetsvoorstel nog niet door de Koning was bekrachtigd.
De voorzieningenrechter van de rechtbank en het gerechtshof in Den Haag gingen daar niet in mee. Anders dan de voorzieningenrechter, die de vordering op inhoudelijke gronden had afgewezen, ging het hof in op de gevolgen van deze procedure voor het wetgevingsproces. Volgens het hof kwamen de vorderingen ook in dit geval neer op ingrijpen in dat proces:
'De Ambtenarencentrales hebben aangevoerd dat hun vorderingen er slechts toe strekken dat de minister met hen overleg pleegt en dat zij niet beogen dat in het wetgevingsproces wordt ingegrepen. Het hof volgt de Ambtenarencentrales niet in deze redenering. Zij vorderen immers ook dat de minister er van af ziet het [w]etsvoorstel te bekrachtigen, totdat overleg zal zijn gevoerd. Toewijzing van die vordering in dit stadium zou dus wel degelijk een ingreep in het wetgevingsproces betekenen, omdat het op zijn minst tot uitstel van bekrachtiging zal kunnen leiden.’2
Dat de vakbonden niet om een beoordeling van de wet of om een wetgevingsbevel hadden gevraagd, maakte dit volgens het hof niet anders. Nu ieder oordeel gevolgen kon hebben voor het wetgevingsproces, zag het van een inhoudelijke beoordeling af.3