Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.1:8.4.1 Het Oekraïne-referendum
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.1
8.4.1 Het Oekraïne-referendum
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233671:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2017, 236. Zie eerder Stb. 2015, 315 en Trb. 2014, 160.
Rb. Den Haag 12 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:366, AB 2017/415, m.nt. Boogaard en Uzman onder Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4366, AB 2017/416.
Zie r.o. 4.2.1 en 4.2.2.
Zie r.o. 4.3.
Zie r.o. 4.6.
Zie r.o. 4.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in de inleiding van dit onderzoek reeds genoemde zaak over het op 6 april 2016 gehouden raadgevend referendum over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne is illustratief voor deze benadering. Dit verdrag voorziet in verdere politieke en economische samenwerking tussen de EU en Oekraïne. Onder de Nederlandse bevolking was deze verdergaande samenwerking echter niet onomstreden en voor sommige burgers en organisaties reden om een campagne te starten om een raadgevend referendum over het verdrag af te dwingen. Deze campagne had succes: meer dan driehonderdduizend kiezers hadden te kennen gegeven zich over het associatieverdrag te willen uitspreken. De Wrr schreef voor dat in dat geval tot een raadgevend referendum zou worden overgegaan.
Bij het referendum sprak een duidelijke meerderheid van 61 procent van de verschenen kiezers zich uit tegen het verdrag. Deze uitslag was een teleurstelling voor de regering en een meerderheid van het parlement, die zich voor het verdrag hadden uitgesproken en daaraan hun goedkeuring hadden verleend. Vervolgens was lange tijd onduidelijk hoe de regering aan deze negatieve uitslag uitvoering zou geven. Volgens premier Rutte kon het niet ratificeren van het verdrag grote gevolgen hebben voor de stabiliteit in Europa. Na nadere onderhandelingen en de vaststelling van een aanvullende verklaring bij het verdrag waarin wordt bevestigd dat het associatieverdrag niet betekent dat Oekraïne zonder meer lid zal worden van de EU, besloot de regering alsnog een wetsvoorstel in te dienen tot inwerkingtreding van de goedkeuringswet. Daarmee zou ratificatie van het verdrag worden afgerond. Dit wetsvoorstel zou uiteindelijk voldoende steun krijgen in de Tweede en Eerste Kamer.1
Deze handelwijze van de regering werd niet door iedereen onderschreven. Dit geldt in het bijzonder voor Forum voor Democratie, een van de initiatiefnemers van het referendum. Zij meende dat het ratificeren van het verdrag geen recht deed aan de negatieve uitslag van het referendum en daagde de Staat daarom voor de rechter. Concreet betoogde Forum voor Democratie dat de regering in de nasleep van het referendum in strijd handelde met artikel 11 Wrr. Op grond van deze bepaling diende de regering, indien de uitslag van het referendum strekte tot afwijzing van de betrokken wet, zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen tot intrekking van de wet of tot regeling van de inwerkingtreding daarvan. De regering had daar in dit geval echter lange tijd mee gewacht.
Op 12 april 2017 weigerde de rechtbank in Den Haag de gevraagde verklaringen voor recht uit te spreken dat de Staat onrechtmatig had gehandeld en daarom aansprakelijk was voor de door Forum van Democratie gemaakte kosten voor het voeren van campagne tegen het associatieverdrag.2 Volgens de rechtbank was sprake van een geschil waarover de rechter zich niet behoort uit te spreken. Zij onthield zich daarom van een inhoudelijke beoordeling en liet de door Forum van Democratie gestelde strijd met artikel 11 Wrr in het midden. Daarbij plaatste de rechtbank het Waterpakt-arrest en het Tegelen-arrest op de voorgrond.3 De in beide arresten benadrukte, op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden tussen de verschillende staatsorganen stond volgens de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling in de weg:
‘De rechtbank is van oordeel dat de op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden van de verschillende staatsorganen eraan in de weg staat dat zij de vorderingen van Forum voor Democratie inhoudelijk beoordeelt. Voor een dergelijke beoordeling is […] noodzakelijk dat de rechtbank oordeelt over de vraag of het in artikel 11 Wrr vervatte procedurevoorschrift is geschonden doordat niet zo spoedig mogelijk een voorstel van wet is ingediend, welk oordeel […] aan de formele wetgever is voorbehouden.’4
De door de rechtbank bedoelde bevoegdheidsverdeling maakt dat de rechter zich met een inhoudelijk oordeel niet moet mengen in het wetgevingsproces.
De rechtbank voegde hieraan toe dat zij met een inhoudelijk oordeel ook daadwerkelijk zou ingrijpen in het wetgevingsproces. Daartoe stelde zij vast dat het wetsvoorstel nog niet door de Eerste Kamer was aangenomen. Indien de rechtbank zou oordelen dat de regering, in strijd met artikel 11 Wrr, het wetsvoorstel niet met de vereiste spoed had ingediend, zou zij het wetgevingsproces ‘sturen, althans beïnvloeden’.5 Dit was volgens de rechtbank ook precies wat Forum voor Democratie met deze procedure beoogde:
‘Het oordeel van de rechtbank dat ervan moet worden uitgegaan dat bij inhoudelijke beoordeling van de vorderingen wordt ingegrepen in het wetgevingsproces, vindt bevestiging in de omstandigheid dat Forum voor Democratie met haar vorderingen ook kennelijk werkelijk heeft beoogd in te grijpen in het wetgevingsproces en ook heeft verwacht daarmee te kunnen ingrijpen. Deze omstandigheid staat op zichzelf genomen eveneens aan [een] inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in de weg.’6