Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.7.3.1
7.3.7.3.1 Regels van bewijsvoering
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940245:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 februari 1954, BNB 1954/104.
Zie daarover ook Feteris 2007, par. X.4.5.4.
Zie omtrent de betekenis van ‘tardief’ en de hierbij aan te leggen belangenafweging nader paragraaf 7.3.7.3.2 hierna.
HR 29 juni 2012, V-N 2012/35.9, BNB 2012/254, r.o. 3.3.3, HR 1 oktober 2004, BNB 2005/151. Zie ook de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij HR 21 juni 2013, V-N 2013/30.8.
HR 11 september 2015, V-N 2015/48.8 (art. 81 Wet RO).
HR 6 oktober 2006, BNB 2007/138, HR 21 juni 2013, V-N 2013/30.8, BNB 2013/166, HR 4 april 2014, V-N 2014/17.24, BNB 2014/148, Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2017, V-N 2017/54.4.
Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2020, V-N 2020/24.21.
HR 7 mei 1969, BNB 1969/127. Zie voorts de vele verwijzingen in Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 127-128 (noot 405). Aldus ook: Feteris 2007, p. 305.
HR 17 december 2004, BNB 2005/152, V-N 2004/67.11.
Bijvoorbeeld als de rechter de belastingplichtige ter zitting met het gerezen vermoeden confronteert.
HR 25 oktober 2002, V-N 2002/57.7, BNB 2003/14, r.o. 3.2.3, Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6, r.o. 4.3-4.5, alsmede de verwijzingen aldaar.
HR 11 januari 1961, BNB 1961/66, HR 22 mei 1974, BNB 1974/163, HR 5 oktober 1994, BNB 1995/5. Zie ook de Conclusie van A-G Van Hilten van 13 mei 2015, V-N 2015/34.7, par. 9.3.3, met verwijzingen naar meer recente bevestigingen van de aangehaalde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Zie voor een meer recente toepassing voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 21 april 2020, V-N 2020/35.29.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6, r.o. 4.11: ‘Met bewijs dat door de inspecteur niet is gepresenteerd aan het Hof en de wederpartij kan het Hof geen rekening houden’.
HR 11 maart 2022, V-N 2022/13.16 (inzake een stuk van PostNL). Vgl. ook HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.20, BNB 2021/97.
HR 20 december 2002, BNB 2003/79.
Zie daarover ook Feteris 2007, par. X.4.5.2.
HR 5 november 1980, BNB 1980/337, HR 27 januari 2006, BNB 2006/138.
HR 27 september 2002, BNB 2002/379. De rechter kan de zitting in dergelijke situaties bijvoorbeeld schorsen, of het onderzoek sluiten en later heropenen. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 15 mei 2014, V-N 2014/40.5 (r.o. 4.3).
Zie over vraagstukken van openbare orde nader paragraaf 7.3.10.3.3.
Hof Arnhem-Leeuwarden 5 november 2013, BB 2014/23. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2019, V-N 2019/44.19, waarin de rechtbank zonder hoor en wederhoor ambtshalve had geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid wegens misbruik van procesrecht. Overigens heeft de Hoge Raad wat betreft de termijnoverschrijding in HR 18 oktober 2019, V-N 2019/50.11, BNB 2019/185, geoordeeld dat een bestuursorgaan verplicht is om navraag te doen naar de mogelijke verschoonbaarheid van een geconstateerde termijnoverschrijding in bezwaar.
Zie daarover ook Feteris 2007, par. X.4.5.2, X.4.5.3 en p. 480 bovenaan, alsmede Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 127, en de aldaar genoemde jurisprudentieverwijzingen (noten 400-402). Zie in het kader van de ambtshalve toepassing van de omkering van de bewijslast voorts HR 2 maart 2007, BNB 2007/191 (waarover nader in paragraaf 7.4.4.1).
Zie daarover nader onder 'Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)’hierna.
HvJ EU 16 oktober 2019, V-N 2019/52.13.
Van Buuren & Borman 2011, p. 738.
HR 10 juli 2020, V-N 2020/34.25, HR 18 maart 2016, V-N 2016/18.13, BNB 2016/127, r.o. 3.3.2, HR 24 januari 2003, BNB 2003/172.
HR 10 juli 2020, V-N 2020/34.25, HR 2 juni 2006, V-N 2006/33.10, BNB 2006/337.
Zie bijvoorbeeld HR 18 december 2015, V-N 2016/3.1.2, alsmede HR 20 januari 2017, V-N 2017/6.9 (een nieuwe stelling bij conclusie van repliek in appel).
Zie voor een voorbeeld Hof Amsterdam 27 juni 2017, V-N 2017/44.22.6.
Zie HR 14 augustus 2009, BNB 2010/19, r.o. 3.4, HR 10 december 2010, V-N 2010/64.8, BNB 2011/72, r.o. 3.1, HR 22 mei 2015, V-N 2015/25.4, HR 26 juni 2020, V-N 2020/31.19, r.o. 2.4, HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.13, r.o. 2.4.2, HR 19 maart 2021, V-N 2021/14.14, HR 20 mei 2022, V-N 2022/24.10, BNB 2022/101, r.o. 3.1.2 en HR 8 september 2023, V-N 2023/40.25, r.o. 3.3. Dat kan alleen anders zijn wanneer de wederpartij uitdrukkelijk instemt met het alsnog behandelen van dat standpunt, terwijl de rechter zelf daarin geen schending van de goede procesorde aanwezig acht (zie HR 4 oktober 2013, V-N 2013/53.17, BNB 2013/241).
Hof Arnhem-Leeuwarden 15 april 2020, V-N 2020/35.6, r.o. 4.7-4.8.
Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2016, V-N 2017/14.15, r.o. 4.7-4.8. Het gaat dan dus in feite om de spiegelbeeldsituatie. De procespartij wordt niet gehouden aan het prijsgeven van een eerder uitdrukkelijk ingenomen standpunt, maar juist aan het hebben ingenomen daarvan.
HR 10 december 2010, V-N 2010/64.8, BNB 2011/72.
HR 4 december 2009, V-N 2009/62.3, BNB 2010/65, r.o. 3.5.2. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 2 augustus 2022, V-N 2022/55.25, waarin het Hof oordeelde dat een beroepsgrond die in eerste aanleg wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing is gebleven, in appel alsnog mag worden aangevoerd. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde in dezelfde zin in de zaak die heeft geleid tot HR 25 november 2022, V-N 2022/55.26.3 (art. 81 Wet RO).
Zie voor een voorbeeld waarin alsnog ingebracht bewijs de zaak doet kantelen Hof ‘s-Hertogenbosch 5 november 2015, V-N 2016/7.24. Zie voorts HR 26 juni 2020, V-N 2020/31.19 en HR 16 april 2010, V-N 2010/21.4, BNB 2010/228. Zie voor het incidenteel hoger beroep HR 4 juni 2010, BNB 2010/263, HR 15 november 2013, V-N 2013/57.5, BNB 2014/28, alwaar dezelfde uitgangspunten gelden.
HR 18 maart 2016, V-N 2016/18.13, BNB 2016/127, r.o. 3.3.2-3.3.4.
HR 14 juli 2017, V-N 2017/37.8, HR 27 april 2012, V-N 2012/23.9, BNB 2012/192, HR 23 mei 2014, V-N 2014/26.8, BNB 2014/140.
Hof Den Haag 7 september 2016, V-N 2017/9.14, r.o. 7.3, Hof ’s-Hertogenbosch (geheimhoudingskamer) 30 maart 2017, V-N 2017/29.5 (deze uitspraak maakte onderdeel uit van de roemruchte tipgeverszaak, waarover nader in paragraaf 7.3.6.4.3).
Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 18 maart 2016, V-N 2016/18.13. Zie omtrent de bewijsfuik nader paragraaf 4.3.2.2.
HvJ EU 18 december 2008 (Sopropé), nr. C-349/07, V-N 2011/13.9, r.o. 36.
In het arrest Sopropé betrof het de heffing van douanerechten (zonder boete).
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, nr. C-364/01. Dit Handvest werd met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 juridisch bindend.
Zie art. 41 (EU-instellingen), art. 47 (lidstaten) en art. 48 (strafrechtelijke context).
Aldus ook Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 22 januari 2021, V-N 2021/6.14.
HvJ EU 3 juli 2014 (Kamino en Datema), nrs. C-129/13 en C-130/13, V-N 2014/36.6, BNB 2014/231, r.o. 34 en 35. De Hoge Raad heeft dit nadien bevestigd in HR 10 juli 2015, V-N 2015/34.6, BNB 2015/187, r.o. 2.4.
Zie art. 51 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en HvJ EU 18 december 2008 (Sopropé), nr. C-349/07, V-N 2011/13.9, r.o. 38 en HvJ EU 13 januari 2022, V-N 2022/6.9. Zie voorts Lammers 2012, par. 4, met verwijzingen naar de relevante HvJ-jurisprudentie aldaar.
Dat geldt niet voor de regeling van het BTW-compensatiefonds, HR 9 juni 2023, V-N 2023/28.20, r.o. 3.5.2.
HR 9 november 2018, V-N 2018/59.16, HR 10 juni 2016, V-N 2016/35.12 (art. 81 Wet RO, zie met name de Hofuitspraak), HR 11 september 2015, V-N 2015/48.8 (art. 81 Wet RO), HR 13 november 2015, V-N 2015/59.6, BNB 2016/42, r.o. 3.2.3. Zie voor wat betreft de vennootschapsbelasting voorts Hof Den Haag 30 januari 2018, V-N 2018/23.22, r.o. 7.12 en voor een zuiver interne situatie op het terrein van de MRB ten slotte HR 26 februari 2021, V-N 2021/12.19.3 (art. 81 Wet RO).
HR 10 juli 2015, V-N 2015/34.6, BNB 2015/187, r.o. 2.4. Aldus ook: Lammers 2012, par. 5 en Redactie Vakstudie-Nieuws in de aantekening bij HR 14 augustus 2015, V-N 2015/41.2.
De Wet op de omzetbelasting 1968 voert immers rechtstreeks de BTW-richtlijn 2006 (voorheen: Zesde richtlijn) van de EU uit, zie HvJ EU 26 februari 2013 (Åkerberg Fransson), nr. C-617/10, V-N 2013/13.6, BNB 2014/15.
HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18, r.o. 3.2.1, HR 10 december 2021, V-N 2021/54.18, BNB 2022/18, r.o. 4.2, HR 19 juni 2020, V-N 2020/29.20, BNB 2020/138, r.o. 2.4.2, HR 10 juli 2015, V-N 2015/34.6, BNB 2015/187. Ook met de regelingen voor de aansprakelijkheid voor omzetbelastingschulden wordt uitvoering gegeven aan het Unierecht, zie HR 6 oktober 2023, V-N 2023/45.20, r.o. 5.7 (onder verwijzing naar HvJ EU 13 oktober 2022, nr. C-1/21, V-N 2022/48.17).
Zie de Accijnsrichtlijn (Richtlijn 2008/118/EG) en de daarop gebaseerde Wet op de accijns.
De heffing en navordering van douanerechten is gebaseerd op rechtstreeks toepasselijk Unierecht (met ingang van 1 mei 2016: het Douanewetboek van de Unie, Vo. 952/2013, voorheen: het Communautair Douanewetboek, Vo. 2913/1992).
HR 23 december 2022, V-N 2023/2.18, HR 9 november 2018, V-N 2018/59.16.
Daarvoor moet er sprake zijn van een belemmering van de verkeersvrijheden, zie HR 25 oktober 2019, V-N 2019/51.16, r.o. 2.3.2-2.3.4. Zie ook HR 23 december 2022, V-N 2023/2.18, r.o. 4.2.3.
De meeste andere uit het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel voortvloeiende rechten zijn reeds in het nationale (proces)recht verankerd. Dat laat onverlet dat het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel ook in die gevallen een aanvullende werking kan hebben (zie bijvoorbeeld – voor wat betreft het recht op inzage – paragraaf 7.3.6.4.2 en – inzake hoor en wederhoor – paragraaf 7.3.7.3.1). Zie over het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel uitgebreid Keulemans 2021.
HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18, r.o. 3.2.1-3.2.3.
HR 22 maart 2019, V-N 2019/16.26, BNB 2019/92.
HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18, r.o. 3.2.1, HR 25 maart 2022, V-N 2022/15.15, r.o. 2.4.1, HR 10 december 2021, V-N 2021/54.18, BNB 2022/18, r.o. 4.2-4.3.
HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18, r.o. 3.2.1-3.2.5.
Zie art. 4:12 juncto art. 4:7 en 4:8 Awb. Nu er tegen belastingaanslagen (financiële beschikkingen zijnde) bezwaar en beroep openstaat, is de inspecteur níet verplicht om de belastingplichtige vooraf te horen (zie HR 13 november 2015, V-N 2015/59.6, BNB 2016/42, r.o. 3.2.2). De AWR bevat daarnaast geen afzonderlijke regeling voor het belastingrecht. Ook par. 10 BFB is in dit verband vrijblijvend.
HR 22 februari 2013, V-N 2013/11.4.
HvJ EU 3 juli 2014 (Kamino en Datema), nrs. C-129/13 en C-130/13, V-N 2014/36.6, BNB 2014/231. Dat zou anders kunnen zijn wanneer de nationale regeling erin voorziet dat de belastingplichtige kan bewerkstelligen dat de uitvoering van dat besluit (min of meer ongeclausuleerd) wordt opgeschort tot de eventuele herziening ervan (r.o. 73). Deze lijn is bevestigd in HvJ EU 20 december 2017 (Prequ’ Italia), nr. C-276/16, V-N 2018/8.24, BNB 2018/58. In de feitenrechtspraak werd het arrest Prequ’ Italia wel beschouwd als een aanzienlijke beperking van het verdedigingsbeginsel (in die zin dat de mogelijkheid om in bezwaar te komen en uitstel van betaling te krijgen het verzuim om vooraf te horen min of meer automatisch heelt). Naar mijn mening kan een dergelijke algemene beperking niet uit het arrest Prequ’ Italia worden afgeleid. Dat is ook de opvatting van de Hoge Raad, zie HR 25 maart 2022, V-N 2022/15.15, r.o. 2.4.1-2.4.2, HR 26 juni 2020, V-N 2020/31.20, r.o. 3.3, HR 19 juni 2020, V-N 2020/29.20, BNB 2020/138, r.o. 2.4.3 en HR 15 mei 2020, V-N 2020/24.20, r.o. 2.2.4. De vraag of er sprake is van een gerechtvaardigde beperking van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel moet volgens de Hoge Raad niet categoriaal, maar individueel worden getoetst. De bewijslast rust op de inspecteur. Steeds moeten de specifieke omstandigheden van het geval worden gewogen. De omstandigheid dat (tamelijk soepel) uitstel van betaling is of zal worden verleend, rechtvaardigt niet dat wordt afgezien van het vooraf horen van de belastingplichtige. Zie voorts (uitgebreider over de betekenis van het arrest Prequ’ Italia) de Conclusie van A-G Ettema van 19 juni 2019 voor het arrest HR 15 mei 2020 in V-N 2019/40.11.
Zie HR 19 juni 2020, V-N 2020/29.20, BNB 2020/138, r.o. 2.5 (dreigende verjaring is in het algemeen een voldoende rechtvaardiging) en HR 26 juni 2020, V-N 2020/31.20, r.o. 3.5.1-3.5.3 (er is geen sprake van dreigende verjaring als er nog voldoende tijd is om te worden gehoord). Zie voorts HR 10 juli 2015, V-N 2015/34.6, BNB 2015/187, r.o. 2.6.3 en HR 25 november 2016, V-N 2016/62.21, BNB 2017/46, r.o. 2.3.4-2.3.5, waarin de regeling van art. 10 Inv. werd getoetst (terstond en tot het volle bedrag invorderbare aanslagen), die als zodanig door de beugel kon. Als die regeling wordt toegepast (en om die reden niet vooraf wordt gehoord), moet wel getoetst worden of een of meer van de gronden voor de toepassing van art. 10 Inv. aan de orde zijn (zie HR 10 december 2021, V-N 2021/54.18, BNB 2022/18, r.o. 5.2.1-5.2.4) en of de beperking noodzakelijk is voor een doeltreffend verhaal op de belastingschuldige (hetgeen hangende conservatoir beslag niet het geval is, zie HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.13, r.o. 4.2.3). Zie voor een dergelijk geval ook Rb Noord-Holland 15 maart 2018, V-N 2018/34.19 (geen schending verdedigingsbeginsel).
(Ook) deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (zie ook HR 10 december 2021, V-N 2021/54.18, BNB 2022/18, r.o. 3.2). Daarbij komt dus ook betekenis toe aan de vraag over welk bewijs de belastingplichtige destijds (grofweg: ten tijde van het nemen van het bezwarende besluit) kon beschikken. Als de belastingplichtige pas jaren later de beschikking kreeg over bewijsmiddelen op grond waarvan een andere afloop denkbaar zou zijn geweest, leidt dat dus niet tot een fatale schending van het verdedigingsbeginsel, zie HR 15 mei 2020, V-N 2020/24.20, r.o. 2.2.2-2.2.3 en HR 15 mei 2020, V-N 2020/24.26.52. Als de naheffingsaanslag daarentegen in bezwaar is verminderd op grond van informatie afkomstig van de (administratie van de) belastingplichtige, staat vast dat is voldaan aan het andere afloop-criterium, zie HR 25 maart 2022, V-N 2022/15.15, r.o. 2.5.2. Als de naheffingsaanslag van aanvang af is gebaseerd op dergelijke informatie terwijl de belastingplichtige daar niets tegen heeft aangevoerd, is juist níet voldaan aan het andere afloop-criterium, zie HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18, r.o. 3.5-3.6. De omstandigheid dat de vermindering niet het gevolg is van argumenten die de belastingplichtige heeft aangevoerd, maar van eigen onderzoek van de inspecteur, is niet doorslaggevend. De onzekerheid over de vraag of de belastingplichtige zulke argumenten wel daadwerkelijk zou hebben ingebracht, komt namelijk – juist vanwege de schending – voor rekening van de inspecteur, zie HR 23 december 2022, V-N 2023/2.18, r.o. 5.2.
HR 26 juni 2015, V-N 2015/33.5, BNB 2015/186 (Kamino). In latere arresten is deze leer verder verfijnd en uitgewerkt, zie bijvoorbeeld HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.13, r.o. 4.6.1 e.v, HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.20 (aansprakelijkgestelden), HR 23 december 2022, V-N 2023/2.18, r.o. 5.2, HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18, r.o. 3.3-3.6, HR 10 december 2021, V-N 2021/54.18, BNB 2022/18, HR 24 november 2017, V-N 2017/58.3, HR 13 november 2015, V-N 2015/61.10, BNB 2016/43, en HR 14 augustus 2015, V-N 2015/41.11, BNB 2015/207.
HR 2 juni 2017, V-N 2017/30.3, BNB 2017/159, r.o. 3.4.1-3.4.2. Terecht wijst de Redactie Vakstudie-Nieuws er in de Aantekening bij V-N 2017/30.3 op, dat de graad van waarschijnlijkheid van de andere afloop geen rol speelt. Het gaat erom of naar objectieve maatstaven is uitgesloten dat de inspecteur, door de inbreng die de belastingplichtige (niet zonder redelijke grond) had kunnen leveren, tot een andere besluitvorming had kunnen komen, zie HR 7 juli 2023, V-N 2023/32.13, r.o. 4.6.2. Uit r.o. 4.6.3 van dat arrest volgt dat voor wat betreft die objectieve maatstaven een parallel bestaat met de leer van het pleitbaar standpunt (zie daarover nader paragraaf 9.4.2.1). Verder is van belang dat de inspecteur of de ontvanger tegenbewijs moet kunnen leveren (dat dan dus inhoudt dat een andere afloop onmogelijk was geweest), zie HR 10 februari 2023, V-N 2023/9.20.
Volgens de Redactie Vakstudie-Nieuws is partiële vernietiging van het bezwarende besluit ook mogelijk (zie de Aantekening bij HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18 en bij HR 25 maart 2022, V-N 2022/15.15). Naar mijn mening is dat, zo algemeen gesteld, onjuist. Wel heeft de Hoge Raad bepaald dat de toets aan het andere afloop-criterium per aangiftetijdvak moet plaatsvinden, zie HR 24 juni 2022, V-N 2022/29.18, r.o. 3.7.2.
HR 25 maart 2022, V-N 2022/15.15, r.o. 2.5.3, HR 10 december 2021, V-N 2021/54.18, BNB 2022/18, r.o. 5.2.6, HR 26 juni 2020, V-N 2020/31.20, r.o. 3.5.4, HR 10 juli 2015, V-N 2015/34.6, BNB 2015/187, r.o. 2.6.5. Idem: HR 14 augustus 2015, V-N 2015/41.11, BNB 2015/207, r.o. 2.7.4 (ten aanzien van in bezwaar verlaagde beschikkingen) en HR 2 juni 2017, V-N 2017/30.3, BNB 2017/159, r.o. 3.4.2 (ten aanzien van in beroep verlaagde beschikkingen). Zie voorts HR 16 september 2016, V-N 2016/46.5, BNB 2016/208, r.o. 4.2.
Hierbij speelt doorgaans (wel) een rol of de belastingplichtige daadwerkelijk in zijn (verdedigings)belangen is geschaad, zie ook art. 6:22 Awb. Ook als de belastingplichtige is benadeeld (hetgeen gelet op het fundamentele belang van het horen in bezwaar al snel het geval zal zijn), leidt dit veelal echter niet tot vernietiging maar tot terugwijzing naar de inspecteur (voor een hernieuwde behandeling in bezwaar). Zie onder meer HR 18 april 2003, V-N 2003/31.7, BNB 2003/267, HR 15 mei 2009, V-N 2009/24.9, BNB 2009/169, HR 23 december 2016, V-N 2017/2.15, BNB 2017/63.
Zie bijvoorbeeld HR 22 januari 2021, V-N 2021/6.14, BNB 2021/64.
Goede procesorde
De uit de vrije bewijsleer en de beginselen van behoorlijk procesrecht voortvloeiende verplichtingen van de rechter zien voor wat betreft de bewijsvoering vooral op het bieden van (voldoende) gelegenheid om geponeerde stellingen te staven met bewijsmiddelen, naar de keuze van de betreffende partij. Daarnaast dient de rechter de wederpartij de gelegenheid te bieden om, in reactie daarop, zo nodig tegenbewijs te leveren.1 De rechter grijpt daarom niet snel in de bewijsvoering van procespartijen in en staat relatief veel initiatieven van partijen toe. De rechter bewaakt slechts de buitengrenzen, die zijn getrokken door de goede (of ‘behoorlijke’) procesorde.2
Als een partij bijvoorbeeld vlak voor of op de zitting met nieuwe stellingen komt, zal de rechter eerst afwegen of hij deze stellingen al dan niet ‘tardief’ verklaart.3 In algemene zin heeft daarbij te gelden dat een goede procesorde meebrengt dat het bewijs zoveel mogelijk in de schriftelijke stukken en tijdig voor de zitting wordt overgelegd.4 Wanneer een partij op de zitting aan komt zetten met enkele dozen vol met stukken, kan de rechter dat dus zonder meer in strijd achten met de goede procesorde.5 Doet hij dat niet (en staat hij de betreffende partij toe om de stukken of stellingen in het geding te brengen), dan moet de rechter de wederpartij voldoende gelegenheid geven om hierop te reageren. Zeker wanneer het gaat om een nieuwe stelling ter zitting, moet er dan in beginsel worden geschorst, tenzij de wederpartij aangeeft daaraan geen behoefte te hebben.6 De rechter kan een dergelijke stelling ook tardief verklaren vanwege de ongewenste vertraging die anders (door de schorsing) zou ontstaan, vooral als er geen goede reden is waarom die stelling pas op de zitting wordt ingenomen.7 De rechter moet hierbij een belangenafweging maken tussen het belang van de betreffende partij bij het kunnen inbrengen van de nieuwe stelling enerzijds en het algemene belang van een doelmatige procesgang anderzijds.
Van belang is dat de verplichting van de rechter ziet op niet méér dan het geven van gelegenheid. Het geven van een indicatie over de vraag of er reeds voldoende (overtuigend) bewijs is geleverd, of over de bewijslastverdeling, is bijvoorbeeld niet vereist. Evenmin is de rechter verplicht om te bevorderen dat de betreffende partij alsnog of nader bewijs levert, ook al is hij van oordeel dat het bewijs ontbreekt of onvoldoende is.8 Een uitzondering kan gelden als zich staande de procedure onverwachte wendingen hebben voorgedaan.9 Iets dergelijks geldt bijvoorbeeld ook wanneer de rechter zelf – onverwacht10 – aanleiding ziet om een vermoeden aan te nemen ten nadele van de belastingplichtige. De rechter zal hem dan de gelegenheid moeten bieden om zich te beraden op zijn bewijspositie en om desgewenst tegenbewijs te leveren door dat vermoeden te ontzenuwen.11
Processuele gelijkheid van partijen: hoor en wederhoor
Uit de vrije bewijsleer volgt dat niet is bepaald op welke wijze de bewijsmiddelen gepresenteerd moeten worden. Wel moeten partijen zich uiteraard, als zij eenmaal in een formele procedure (bezwaar, (hoger) beroep of beroep in cassatie) zijn beland, rekenschap geven van de in die procedure geldende formele procesregels.12 Daarnaast gelden ten overstaan van de rechter enkele informele procesregels. De belangrijkste is af te leiden uit de processuele gelijkheid van partijen: indien één van de partijen bewijs aanbrengt, dan moet de wederpartij daarvan behoorlijk in kennis worden gesteld en bovendien de gelegenheid krijgen om zich daarover uit te laten.13 Ook moet de partij die zich voor zijn bewijsvoering op de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen beroept, die bewijsmiddelen aan de wederpartij en aan de rechter overleggen.14 Dat geldt evenzeer voor de rechter: als hij zijn oordeel (bijvoorbeeld over de ontvankelijkheid van het beroep) baseert op een bepaald bewijsstuk, moeten partijen kennis kunnen nemen van dat bewijsstuk.15 Hetzelfde heeft te gelden als een partij tijdens de mondelinge behandeling zijn standpunt wijzigt of aanvult. De rechter moet bij een dergelijke standpuntwijziging de andere partij in de gelegenheid stellen zich over die wijziging uit te laten en desgewenst gelegenheid geven voor beraad.16 De Hoge Raad casseert als de feitenrechter op dit punt steken laat vallen.
Uit de processuele gelijkheid van partijen17 volgt ook dat de rechter voorzichtig moet zijn met het als vaststaand aannemen van onweersproken stellingen. Een stelling is slechts onweersproken indien er wel de gelegenheid is geweest om te weerspreken, maar die gelegenheid niet te baat is genomen. Als een partij bijvoorbeeld niet ter zitting verschijnt, kan de rechter de aldaar ingenomen stellingen van de wederpartij niet als vaststaand aannemen op de enkele grond dat er geen verweer is gevoerd.18 Ook als ter zitting nog nadere bewijs wordt overgelegd, moet de wederpartij in de gelegenheid worden gesteld om zich daarover te beraden en terzake een standpunt in te nemen.19
Zoals is opgemerkt in paragraaf 7.3.4.4, geldt voor vraagstukken van openbare orde (zoals de ontvankelijkheid) dat de fiscale rechter een zelfstandige onderzoeksplicht heeft, die zich ook uitstrekt naar niet door partijen gestelde of betwiste feiten.20 Wanneer de rechter op grond van zijn in dit kader (ambtshalve) verrichte feitenonderzoek bijvoorbeeld tot niet-ontvankelijkheid van het beroep concludeert, schrijft het beginsel van hoor en wederhoor voor dat de rechter de belastingplichtige niet mag overvallen met deze conclusie. De belastingplichtige moet in de gelegenheid worden gesteld om zich te beraden op zijn procespositie, en om bijvoorbeeld gronden voor de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding aan te voeren.21 Ook hieruit blijkt dat het procesrecht met betrekking tot de bewijsvoering zich kenmerkt door het beginsel van hoor en wederhoor.22
In zaken waarin het EU-recht van toepassing is,23 wordt het beginsel van hoor en wederhoor gewaarborgd als onderdeel van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Het Unierecht heeft dan een aanvullende werking. Zo heeft het HvJ EU geoordeeld dat de belastingplichtige op de hoogte moet worden gesteld van de tegen hem gebezigde bewijsmiddelen, dat de belastingplichtige in dat verband toegang moet krijgen tot alle gegevens (ook de gegevens die zijn verzameld in het kader van onderzoeken tegen derden als die vervolgens eveneens belastend gebruikt worden tegen de belastingplichtige), dat de belastingplichtige het recht heeft om tijdens de procedure op te komen tegen de feitelijke bevindingen en de juridische kwalificaties en dat de rechter moet kunnen nagaan of de bewijsmiddelen rechtmatig zijn verkregen en gebruikt.24 Inhoudelijk verschillen deze eisen naar mijn mening niet wezenlijk van de garanties die het Nederlandse nationale procesrecht reeds biedt op (onder meer) het terrein van hoor en wederhoor.
Interne compensatie en (on)gebondenheid aan eerdere standpunten
Een belastingaanslag is een ondeelbaar besluit dat de omvang van de materiële belastingschuld vaststelt (formaliseert). Dat betekent dat het bezwaar en beroep zich richten tegen de gehele aanslag als zodanig, ook als slechts één of enkele elementen daarvan daadwerkelijk ter discussie worden gesteld.25 Daaruit vloeit voort dat beide partijen vrij zijn om in bezwaar en beroep af te wijken van eerder ingenomen standpunten en aldus de rechtsstrijd uit te breiden of te wijzigen. Vandaar dat ‘interne compensatie’ door de inspecteur (het compenseren van een verlaging van de aanslag op het ene onderdeel met een latere verhoging op een ander onderdeel) in fiscalibus in beginsel is toegestaan.26 Wel moet de inspecteur er uitdrukkelijk blijk van geven dat hij deze bevoegdheid wil gebruiken en moet de belastingplichtige vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om te reageren.27
Om dezelfde reden kunnen partijen in (hoger) beroep in beginsel alle gronden – ook van formeelrechtelijke aard – met bijbehorende bewijsmiddelen aanvoeren die zij dienstbaar achten, ook als deze gronden in eerste instantie of in bezwaar nog niet werden aangevoerd.28 Ook hier worden de buitengrenzen getrokken door de beginselen van een goede procesorde en van hoor en wederhoor.29 Een dergelijke buitengrens wordt overschreden wanneer een partij terugkomt op een standpunt dat eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud (ondubbelzinnig) is prijsgegeven.30 Hetzelfde geldt als de ene partij een standpunt van de andere partij op enig moment uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk heeft onderschreven, maar daar later op terug wil komen.31 Voorts kan het vertrouwensbeginsel verhinderen dat de inspecteur voor het eerst in beroep terugkomt op een in een eerdere fase uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingenomen (voor de belastingplichtige gunstiger) standpunt.32
Het voorgaande geldt niet alleen in de verhouding tussen de bezwaarfase en beroep in eerste aanleg. In hoger beroep stelt de Hoge Raad de herkansingsfunctie namelijk voorop.33 Daaruit volgt dat eerder aangevoerde, maar door de rechtbank verworpen gronden in hoger beroep opnieuw kunnen worden ingebracht.34 De herkansingsfunctie betekent ook dat beide partijen in hoger beroep hun stellingen kunnen wijzigen of aanvullen, nieuwe argumenten en beroepsgronden kunnen aanvoeren en daartoe ander of meer bewijs kunnen bijbrengen.35 De Hoge Raad heeft in het verlengde hiervan bepaald dat ook na het beantwoorden van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie, gesteld door een feitenrechter, nog nieuwe stellingen kunnen worden ingenomen, mits de goede procesorde zich daartegen niet verzet.36 Eenmaal in de cassatiefase aangeland, worden de spelregels echter strenger. Zo is het na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad niet meer mogelijk om met nieuwe geschilpunten te komen.37 Evenmin kunnen reeds beslechte geschilpunten dan opnieuw aan de orde worden gesteld.38
Uit deze ruime mogelijkheden die partijen hebben bij de (her)inrichting van hun proceshouding, volgt dat het fiscale procesrecht geen argumentatieve fuik of ‘bewijsfuik’ kent, zoals deze in het generieke bestuursrecht voorkwam.39
Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)
In het arrest Sopropé heeft het HvJ EU geoordeeld dat het verdedigingsbeginsel een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is, dat geldt wanneer de overheid voornemens is om – ter uitvoering van EU-recht – een bezwarend besluit te nemen.40 Dat kan onder andere een besluit inzake de belastingheffing (en de daarmee samenhangende beboeting) zijn.41 Na het wijzen van het arrest Sopropé is voorts het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie juridisch bindend geworden,42 waarin op verschillende plaatsen aan het verdedigingsbeginsel wordt gerefereerd.43 Op de bepalingen uit het Handvest kan in belastingzaken normaliter niet rechtstreeks een beroep worden gedaan, maar het verdedigingsbeginsel geldt in dergelijke zaken wel als ongeschreven rechtsbeginsel.44
Het staat buiten kijf dat belastingplichtigen zich voor de nationale rechter rechtstreeks op de eerbiediging van het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel kunnen beroepen.45 Om het EU-rechtelijke (communautaire) verdedigingsbeginsel te kunnen inroepen, moet er wel sprake zijn van de uitvoering van het EU-recht.46 Een nationale wettelijke regeling die een Richtlijn uitvoert, zoals de Wet OB, valt binnen de werkingssfeer.47 Zuiver interne aangelegenheden, zoals die bijvoorbeeld bij de heffing van overdrachtsbelasting, de WOZ en (doorgaans) bij de inkomstenbelasting aan de orde zijn, vallen daar buiten.48 De Hoge Raad heeft in dit verband expliciet bevestigd dat het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel geldt voor alle bezwarende besluiten die zijn gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan EU-rechtelijke voorschriften.49 Toegepast op de Nederlandse situatie kan het verdedigingsbeginsel aldus in ieder geval aan de orde komen in het kader van de omzetbelasting (ongeacht eventuele grensoverschrijdende aspecten50),51 de accijnzen,52 de invoerrechten en dergelijke douaneheffingen.53 Daarnaast kan het verdedigingsbeginsel worden ingeroepen als de toepassing van een op zichzelf zuiver nationale, wettelijke regeling een beperking inhoudt van de Unierechtelijke verkeersvrijheden (en er dus sprake is van grensoverschrijdend verkeer).54 Het enkele feit dat het niet om een zuiver binnenlandse situatie gaat omdat aan de casus een internationaal tintje zit, betekent echter nog niet dat er EU-recht ten uitvoer wordt gebracht.55
Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel heeft vooral betekenis omdat het beginsel de belastingplichtige het recht geeft om voorafgaand aan een voor hem nadelig besluit in de gelegenheid te worden gesteld zijn standpunt kenbaar te maken.56 Dat brengt mee dat de inspecteur de belastingplichtige eerst tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, op de hoogte moet stellen van het voorgenomen besluit. Deze mededeling moet in alle gevallen worden gedaan, ook als de belastingplichtige er bijvoorbeeld door een controle al rekening mee houdt dat en waarom er naheffingsaanslagen zullen volgen. De mededeling is vormvrij en kan dus zowel mondeling als schriftelijk worden gedaan.57
Hoewel de jurisprudentie van het HvJ EU pleegt te spreken van het recht om te worden ‘gehoord’, vloeit uit het Unierecht niet voort dat de belastingplichtige zijn zienswijze over het voorgenomen besluit ook steeds mondeling moet kunnen geven. Het Unierecht verplicht de inspecteur dus niet om een hoorgesprek te houden. Hij kan de belastingplichtige ook uitnodigen om schriftelijk zijn standpunt kenbaar te maken. Als de belastingplichtige in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, heeft hij zijn standpunt naar behoren kenbaar kunnen maken.58 De belastingplichtige moet wel expliciet en ook tijdig worden uitgenodigd om te worden gehoord.59 De bewijslast dat de inspecteur het verdedigingsbeginsel heeft gerespecteerd, rust op hem.60
De Nederlandse wetgeving bevat geen voorschrift dat de inspecteur verplicht om de belastingplichtige voorafgaand aan de aanslagoplegging te horen of anderszins in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen.61 In de zaken Kamino en Datema heeft de Hoge Raad hier prejudiciële vragen over gesteld.62 Het HvJ EU verklaarde voor recht dat het verdedigingsbeginsel als regel wordt geschonden wanneer de belastingplichtige niet voorafgaand aan de vaststelling van het primaire besluit is gehoord, ook al kan hij zijn standpunt kenbaar maken tijdens een latere administratieve bezwaarfase.63 De Nederlandse mogelijkheid om in bezwaar te worden gehoord (art. 7:2 Awb) kan dus in ieder geval niet gelden als vervanging van het ontbreken van een dergelijke mogelijkheid voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit (de aanslag of uitnodiging tot betaling). Alleen in bijzondere gevallen kan het gerechtvaardigd zijn om de belastingplichtige pas na het opleggen van het primaire, belastende besluit in de gelegenheid te stellen zijn bezwaren kenbaar te maken of om hem vooraf slechts een (zeer) korte termijn te gunnen.64
De Hoge Raad heeft vervolgens (in lijn met de antwoorden op de prejudiciële vragen) overwogen dat om te bepalen welke rechtsgevolgen een ongerechtvaardigde schending van het verdedigingsbeginsel heeft, moet worden getoetst of de procedure ‘een andere afloop zou kunnen hebben gehad’. Daartoe is het voldoende om te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden (en er dus wél vooraf was gehoord), (1) een inbreng had kunnen worden geleverd die voor het vaststellen van dat besluit van belang zou zijn geweest65 en (2) waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden.66 De bewijslast terzake rust op de belastingplichtige.67 Ook over het rechtsgevolg van een ongerechtvaardigde schending van het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel heeft de Hoge Raad duidelijkheid verschaft: dan kan slechts algehele68 vernietiging van het bezwarende besluit (de aanslag) volgen.69 Dat gaat dus aanzienlijk verder dan de mogelijke gevolgen van een schending van de hoorplicht (in bezwaar) op grond van het nationale recht.70 Overigens geldt het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel ook bij het nemen van een nadelige beslissing op bezwaar, maar in die fase bevat het Nederlandse fiscale procesrecht nu juist wél een gecodificeerd hoorrecht.71 In zaken waarin het EU-recht van toepassing is, speelt het verdedigingsbeginsel dan een aanvullende rol, met name wat betreft de mogelijke (fatale) gevolgen van een ongerechtvaardigde schending.72