Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/2.1.1
2.1.1 Strafdoelen
J. Kort , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200746:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Lacey (1988) benoemt twee fundamentele problemen van de retributivistische benadering. Ten eerste zou er geen passende strafmaatregel van afgeleid kunnen worden en ten tweede houdt deze benadering volgens Lacey geen rekening met de notie dat alleen iemand die verantwoordelijk is voor een overtreding gestraft kan worden. De consequentialistische benadering gaf daardoor duidelijker aan wat er zou moeten gebeuren met daders van strafbare feiten.
Nederland kende in 2010 in Europees perspectief een relatief hoog percentage onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen en een relatief laag percentage boetes (ook bij de jeugd is dit opvallend) (Smit & Goudriaan, 2018). Er is volgens Van Velthoven (2011) geen bewijs dat het Nederlandse strafrisico (een door hem geconstrueerde maatstaf voor de punitiviteit van een strafrechtsysteem) tegenwoordig zwaarder is en op enig moment sinds 1990 zwaarder is geweest, dan het gemiddelde van Noord/West-Europa. Het strafklimaat in Nederland is volgens hem wat strenger dan in de Scandinavische landen, maar duidelijk milder dan in de Angelsaksische regio en de rest van West-Europa. Terpstra (2011) wijst erop dat de registratie van minderjarigen in detentie door de tijd heen erg verschilt.
Aangezien zowel de opsporing, als het uiteindelijke opleggen van straffen de individuele vrijheid van burgers diep kan aantasten, is rechtvaardiging van strafrechtspleging een belangrijke en tevens actuele kwestie (Sanders & Young, 2007). De eerste en minimale rechtvaardiging voor een strafrechtelijke sanctie vormt het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd en daarvoor ook verantwoordelijk kan worden gehouden (Hart, 1968). De volgende stap in deze rechtvaardiging wordt veelal gegeven door rechtsfilosofische inzichten in de verschillende functies die het strafrecht in de samenleving kan vervullen. De formele strafdoelen die daarvan zijn afgeleid, zijn deels met elkaar in strijd. Het belangrijkste twistpunt hierbij is dat ‘[w]hat someone “deserves” may not be the same as what is judged necessary to protect society’ (Newburn, 2013: 529). De belangrijkste filosofische benaderingen van dit vraagstuk worden ‘retributie’ en ‘consequentialisme’ genoemd; rechtvaardigingen die hierdoor voor strafrechtelijk optreden worden gegeven gaan uit van respectievelijk een reactie op wat in het verleden is gebeurd (het strafbare feit) en op wat met strafrechtelijk optreden in de toekomst bereikt zou kunnen worden.
De consequentialistische benadering is gebruikt om te komen tot een verzameling toekomstgerichte, utilitaristische strafdoelen. Bentham wordt beschouwd als de grondlegger hiervan. Hij deed tal van voorstellen voor sociale en strafrechtelijke hervormingen die het geluk van mensen moesten bevorderen en hun lijden verminderen: ‘Het grootste geluk voor het grootste aantal is het fundament van moraal en wetgeving.’ (In: Verhofstadt, 2015: 85). In deze benadering gaat het erom dat straffen behalve het toevoegen van leed aan criminelen, iets moeten opleveren in het algemeen belang: het gaat hierbij om uiteenlopende en nog weinig onderbouwde mogelijkheden voor preventie en beperking van criminaliteit, door middel van (speciale en generale) preventie, resocialisatie en incapacitatie (Newburn, 2013: 530-536).
In navolging van Kant stellen retributivisten zich op het standpunt dat het straffen van iemand die fout is geweest, op zichzelf een doelstelling vormt; een aanvullende rechtvaardiging is volgens hen niet noodzakelijk (2013: 536).
Tot de jaren 1970 werd de retributivistische benadering door criminologen niet beschouwd als een goede basis voor strafrechtelijk optreden.1 Sinds de jaren 1970 ontstond echter een ‘hernieuwd’ retributivisme (2013: 537). Het strafklimaat en voorwaardelijke straffen in het bijzonder, riepen in de meeste westerse landen steeds meer vragen op doordat de mogelijkheden om criminelen te resocialiseren door onderzoekers enige tijd als zeer gering werden beschouwd (in wat nu wordt genoemd het Nothing Works-tijdperk). De straffen die werden opgelegd leken daardoor niet langer in verhouding te staan tot het leed dat slachtoffers was aangedaan (2013: 536-537).
In Nederland overheerste tot in de jaren 1980 terughoudendheid bij de oplegging van straffen, waarbij straf en strafuitvoering in belangrijke mate werden beoordeeld op hun bijdrage aan de resocialisatie van de gestrafte. Echter, ook het Nederlandse strafklimaat veranderde daarna ingrijpend. Er werden aanvankelijk in lijn met het genoemde ‘hernieuwd’ retributivisme meer en langere gevangenisstraffen opgelegd (zie hoofdstuk 1).
Tot 2005 nam het relatieve aantal gedetineerden in Nederland toe. Sinds die tijd lijkt de trend weer te zijn gekeerd. Vanaf 2007 is sprake van een sterke daling. Het aantal gedetineerden is in ons land teruggelopen van 78 per 100.000 inwoners in 2007 tot 52 in 2016. Inmiddels is hiermee ook sprake van een daling tot onder het niveau van onze buurlanden. Alleen in Nederland, Denemarken, Finland en Zweden is dit aantal 60 of lager (Smit & Goudriaan, 2018).2 De invloed van de retributivistische benadering lijkt daarmee te zijn verminderd, maar gelet op de elkaar snel opvolgende veranderingen wordt voorafgaand aan dit onderzoek verwacht dat de te onderzoeken opvattingen nog altijd de verschillende hierboven besproken denkrichtingen over strafdoelen zullen weerspiegelen.
Opmerkelijk is dat Nederland ook met zijn niveau van insluiting van verdachten een middenpositie inneemt in vergelijking met andere Europese landen (Berghuis, Linckens & Aanstoot, 2016). Daarbij is er een grote stijging geweest van het aantal schadevergoedingen aan ex-gedetineerden, wegens onterechte hechtenis (CBS, 2016). Overigens kent Nederland relatief weinig verdachten die een strafrechtelijke sanctie van de rechter krijgen opgelegd. Oorzaak hiervan is het veelvuldig gebruik van transacties en strafbeschikkingen door de politie en het Openbaar Ministerie (Smit & Goudriaan, 2018). Echter, hier zijn niet zozeer de strafdoelen relevant maar komt vooral de vraag op hoe in Nederland tegen het strafproces wordt aangekeken. Verschillende opvattingen daarover worden in dit onderzoek geanalyseerd aan de hand van de due process en crime control modellen van Packer.