De rol van de paritas creditorum bij een faillissement
Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.4.3:3.3.4.3 Artikel 33 Fw
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.4.3
3.3.4.3 Artikel 33 Fw
Documentgegevens:
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686144:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3064.
Nader hierover: Van Boom 2018, p. 80-81 en Bartels in zijn annotatie bij dit in 2021 in JOR 2021/106, opnieuw gepubliceerde arrest.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 33 Fw is de laatste regel die wordt aangestipt in mijn schets van de belangrijkste regels die gelden in de beheerfase en die er mede voor zorgen dat er meer van het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers terecht komt.
Artikel 33 lid 1 Fw bepaalt dat “alle gerechtelijke tenuitvoerlegging op enig deel van het vermogen van de schuldenaar, vóór het faillissement aangevangen, dadelijk ene einde neemt, en dat, ook van hetzelfde ogenblik af, geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd.” Artikel 33 lid 2 Fw bepaalt in het verlengde hiervan dat alle gelegde beslagen vervallen. Dit artikel voorkomt dat schuldeisers die in een vroeger stadium een verhaalsactie hebben ingesteld, anders worden behandeld dan schuldeisers die pas verhaal zoeken in het kader van de faillissementsprocedure door hun vordering ter verificatie aan te melden.
Artikel 33 lid 2 Fw strekt er overigens niet toe om elk rechtsgevolg van de beslaglegging teniet te doen. In een situatie waarbij na beslaglegging een hypotheekrecht is gevestigd waarna de schuldenaar in staat van faillissement is verklaard, zou dit namelijk tot gevolg hebben dat de hypotheekhouder zijn positie in de concursus door het faillissement verbetert. Buiten faillissement zou de beslaglegger immers bij de verdeling van de executie-opbrengst voorgaan op de hypotheekhouder. Indien alle rechtsgevolgen van het beslag op grond van artikel 33 lid 2 Fw teniet zouden gaan, zou de hypotheekhouder de anterieure beslaglegger in de rangorde bij de verdeling niet langer voor zich hebben te dulden. In een dergelijke situatie heeft de Hoge Raad1 uitgemaakt dat de blokkerende werking van het beslag (zoals neergelegd in artikel 505 Rv) ook in faillissement behouden blijft. Een andere behandeling van een schuldeiser tijdens faillissement– in vergelijking met de positie van deze schuldeiser in het kader van de individuele executie – wordt hiermee voorkomen.2