RvdW 2024/81:Tussenarrest HR. Bedreiging met zware mishandeling van politieagenten (art. 285 lid 1 Sr). Post-Keskin. Afwijzing van bij appelschriftuur gedane, op tz. in hoger beroep gehandhaafde verzoeken tot horen van 3 verbalisanten, op de grond dat belang van verdediging bij horen van deze getuigen onvoldoende is onderbouwd. 1. Verzoek om aangever en andere verbalisant te horen over feit 1 (bedreiging 2 agenten) i.v.m. gang van zaken bij aanhouding van verdachte en rechtmatigheid van voorbereidend onderzoek. 2. Verzoek om aangever en andere verbalisant te horen over feit 2 (bedreiging 1 agent), omdat verdachte ontkent agent in het gezicht te hebben gespuugd en verdediging de getuigen wil bevragen over wat zich tijdens voorgeleiding van verdachte heeft voorgedaan. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van getuigenverzoeken door feitenrechter in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl getuige al (in vooronderzoek of anderszins) belastende verklaring heeft afgelegd. Uit procesverloop volgt dat verdediging na tz. in h.b. waarop verzoek is gedaan verklaringen van verbalisanten t.a.v. feit 1 niet langer heeft betwist. Hof is bij beoordeling van verweer dat sprake is van vormverzuim ex. art. 359a Sv uitgegaan van lezing van gebeurtenissen zoals geschetst door verdediging en heeft geoordeeld dat sprake is van vormverzuim, nu aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest. Gelet hierop heeft verdachte onvoldoende belang bij zijn klacht over afwijzing van verzoek om verbalisanten te horen over feit 1. Ad 2. Afwijzing door hof van verzoek tot horen van verbalisanten als getuigen over feit 2, waaraan door verdediging onder meer ten grondslag is gelegd dat eerder afgelegde verklaringen van die getuigen een belastende strekking hebben, is niet zonder meer begrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat hof de bewezenverklaring heeft aangenomen o.g.v. die door verdachte betwiste verklaringen van die verbalisanten zonder dat verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen, terwijl hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces (vgl. NJ 2021/173, m.nt. J.M. Reijntjes). Volgt verwijzing naar rolzitting teneinde A-G in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over ander middel (dat betrekking heeft op feit 1). CAG: anders t.a.v. klacht over horen van 1 verbalisant over feit 1.