Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/4.2.2
4.2.2 De paritas creditorum en de feitelijke concursus creditorum
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686187:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de meeste gevallen zal de schemerperiode starten op het moment dat er sprake is van een feitelijke cconcursus creditorum. De aanvang van de schemerperiode valt echter niet noodzakelijk samen met het moment waarop er sprake is van een feitelijke concursus creditorum. Indien de faillissementstoestand zich feitelijk voordoet, zonder dat de schuldenaar dit weet, zou gesteld kunnen worden dat er sprake is van een feitelijke concursus creditorum, terwijl de schemerperiode nog niet is aangevangen. Aan dit (voornamelijk theoretisch) onderscheid ga ik verder voorbij nu het precieze onderscheid voor mijn betoog niet van belang is.
Zie Van Boom 2018, p. 31.
Vgl. artikel 434 Rv.
Een curator kan daarom ook persoonlijk aansprakelijk zijn vanwege een schending van artikel 3:277 BW. Vgl Hof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1922: “Gelet op het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat de curator een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van het feit dat ten opzichte van Atropa de paritas creditorum ernstig is geschonden. Dit leidt tot het oordeel dat de curator zowel in hoedanigheid als in persoon aansprakelijk is voor de schade die Atropa als gevolg daarvan heeft geleden”.
Zoals bijvoorbeeld gedaan met de hierna nog te bespreken figuur van de actio pauliana ex artikel 42 en 47 Fw.
Van der Feltz I 1994, p. 435. Zie voorts op p. 436: “De zg. Konkursanspruch, een op het onvermogen van den schuldenaar gegrond objectief recht van de schuldeischers jegens een ieder (zoowel den schuldenaar als jegens elkander) op door faillissement te verwezenlijken uitsluitend en gemeenschappelijke bevrediging uit den boedel huns schuldenaar) staat lijnrecht tegenover het stelsel van het Ontwerp dat aan het onvermogen als zoodanig geen enkel rechtsgevolg verbindt, en is buitendien ook wetenschappelijk niet verdedigbaar.”. Dit standpunt was overigens niet nieuw en werd al eerder uitgedragen. Zie bijvoorbeeld Riemsdijk 1868, p. 22 e.v. die erop wijst dat Casaregis onderscheid maakt tussen een feitelijk faillissement (formalis of manifesta decoctio) en een door een rechter uitgesproken faillissement (decoctio latens of proxima). Het “gemeene recht” zou al rechtsgevolgen verbinden aan een feitelijk faillissement, terwijl het recht van Genua hiervan afweek. Riemsdijk schrijft in dit verband (p. 26): “Het stelsel, hetwelk te Genua reeds in de 16e eeuw gehuldigd werd is ook het onze. Geen faillissement, dus ook geen der gevolgen door de wet daaraan verbonden, zonder faillietverklaring.”.
Uit Hof Leeuwarden 29 november 2000, JOR 2001/105 kan mogelijk wel worden afgeleid dat het Hof het standpunt inneemt dat de paritas creditorum onder omstandigheden al voor faillissement kan gelden (zie onder randnummer 7).
Zie bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 30 oktober 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BY1565, onder 10: “Het Hof stelt voorop dat selectieve betaling in beginsel niet onrechtmatig is nu de paritas creditorum pas geldt op het moment dat er sprake is van een collectief verhaal op het vermogen van een schuldenaar.”, Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 22 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI1842, onder 2.6.1; Rb. Den Haag 19 september 2018, 6533401\CV EXPL 17-5975 (geen ECLI-nr.), Rb. Overijssel, Praktijkgids 2013/267, Rb. Den Haag 11 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4944 is m.i. niet in strijd met de stelling dat de paritas creditorum ex artikel 3:277 BW pas geldt na faillissement. Overwogen wordt onder 4.15 dat de paritas creditorum is doorbroken in het zicht van het faillissement en dat het bestuur in het zicht van het faillissement dit niet behoorde te doen. Deze overweging staat in de sleutel van de vraag of kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Het “niet behoren te doen” (alhoewel m.i. te kras gesteld en daardoor voor misverstanden vatbaar) wijst erop, mede gelet op de context, dat er volgens de rechtbank sprake is van onzorgvuldig handelen en niet van handelen in strijd met de wet.
HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576. Het arrest is gewezen door de belastingkamer en staat in de sleutel van art. 36 Invorderingswet. In de literatuur wordt aangenomen dat dit arrest ook betekenis heeft voor de aansprakelijkheid van een bestuurder uit hoofde van onrechtmatige daad. Vgl. Van Hooff 2021, p. 299. Zie voorts HR 22 mei 1931, NJ 1931, p. 1429 e.v. In HR 21 december 2001, NJ 2005/96 (Sobi/Hurks) spreekt de Hoge Raad onder randnummer 5.1.3 over “de in het faillissement te handhaven paritas creditorum”. Zie in gelijke zin: HR 21 december 2001, NJ 2005/95 (Lunderstädt/De Kok c.s.) onder 3.4.4.
HR 15 januari 2020, NJ 2020/51.
Zie onder 2.9.
Zie voorts HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:80 (FloraHolland/Wittekamp q.q.) en HR 14 januari 2014, NJ 2014/61 (Unitco).
Sommige schrijvers, zo is hiervoor gebleken, stellen dat de paritas creditorum ex artikel 3:277 BW al van toepassing is in de periode voor faillissement, te weten vanaf het moment dat de schemerperiode aanvangt dan wel vanaf het moment dat er sprake is van een feitelijke concursus creditorum.1 Met dit standpunt kan ik mij niet verenigen. In dit verband wijs ik op het volgende.
Het enkele feit dat er sprake is van een feitelijke concursus creditorum, activeert artikel 3:277 BW niet. Van een individuele of collectieve beslagexecutie is alsdan immers (nog) geen sprake, terwijl – zo is gebleken in hoofdstuk 2 en 3 – de paritas creditorum uitsluitend van toepassing is in het kader van een dergelijke executie. Dit is het belangrijkste argument dat zich verzet tegen de aanvaarding van het hiervoor besproken standpunt. Meer in de marge kan daarnaast nog op het volgende worden gewezen.
De in artikel 3:277 BW neergelegde verdelingsregels moeten in acht worden genomen in het kader van een gerechtelijke uitwinningsprocedure waarin het overheidsmonopolie op handhaving wordt uitgeoefend.2 Die handhaving wordt uitgeoefend door een door de overheid aangewezen buitenstaander. Een deurwaarder of een notaris in het geval van een individuele executieprocedure.3 Een curator in het geval van een faillissement.4 De schuldenaar zelf of de bestuurder van de vennootschap kan niet worden aangemerkt als een dergelijke buitenstaander. In de periode voor de faillietverklaring is de schuldenaar nog steeds bevoegd over zijn vermogen te beschikken. De schuldenaar of de bestuurder van de schuldenaar is daarom ook vanwege dit argument op dit moment niet rechtstreeks gebonden aan artikel 3:277 BW.
Daarnaast geldt het volgende. Meer abstract bezien komt het hiervoor weergegeven standpunt erop neer dat aan de situatie van feitelijke insolventie onder omstandigheden het rechtsgevolg zou kunnen worden verbonden dat artikel 3:277 BW van kracht is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat aan een feitelijke insolventie zonder nadere wetsbepaling5 niet de rechtsgevolgen van een faillissement, hetzij geheel hetzij gedeeltelijk, verbonden kunnen worden. Zo wordt in het kader van de bespreking van artikel 42 Fw in de Memorie van Toelichting het systeem van de Code de Commerce besproken waarin de faillite de fait, het enkele feit van het ophouden te betalen, de schuldenaar van rechtswege het beheer en de beschikking over zijn vermogen liet verliezen zonder dat een rechtelijk vonnis vereist was. In reactie op dit stelsel wordt opgemerkt dat de Nederlandse wetgever hiermee in 1838 uitdrukkelijk heeft gebroken. In plaats daarvan is het uitgangspunt aangenomen dat uitsluitend een vonnis van faillietverklaring de rechtsgevolgen van een concursus (waartoe onder meer behoort de werking van art. 3:277 BW) in het leven roept.6 Ook hieruit volgt dat de paritas creditorum voor de faillietverklaring nog niet van toepassing kan zijn.
Tot slot wijs ik erop dat uit vaste jurisprudentie op dit vlak, uitzonderingen daargelaten,7 ook niet blijkt dat artikel 3:277 BW van toepassing kan zijn buiten de situatie van een executieprocedure.8 In het bijzonder blijkt dit, zonder uitzondering, niet uit jurisprudentie van de Hoge Raad. Ter illustratie wijs ik op een recent arrest waarin de Hoge Raad overweegt: “Er bestaat geen algemene regel op grond waarvan een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, steeds onrechtmatig handelt wanneer hij een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij niet rekening houdt met eventuele preferenties.”9 Uit deze overweging volgt dat de Hoge Raad kennelijk van oordeel is dat de paritas creditorum als algemene regel niet geldt als er sprake is van een concursus creditorum zonder dat het faillissement van de schuldenaar is uitgesproken. In het arrest Ingelse q.q./Source B.V.10 staat een selectieve betaling aan een niet gelieerde schuldeiser van de schuldenaar verricht na de faillissementsaanvraag van de schuldenaar centraal. De A-G haalt in zijn conclusie bij dit arrest11 instemmend Bartman aan daar waar hij (op dat moment nog) stelt dat in de feitelijke liquidatiefase het beginsel van de paritas creditorum centraal moet staan. De A-G bepleit dan ook – nu in casu deze fase was bereikt – dat de bestuurder van de schuldenaar geen medewerking mocht verlenen aan de selectieve betaling. De Hoge Raad gaat hierin echter niet mee en oordeelt ook niet dat de geoorloofdheid van deze betaling moet worden getoetst aan de in artikel 3:277 BW neergelegde verdelingsregels. In plaats daarvan stelt de Hoge Raad: “Een bestuurder van een vennootschap is niet persoonlijk aansprakelijk jegens een vennootschapsschuldeiser die is benadeeld wegens het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering, op de enkele grond dat die bestuurder het faillissement van de vennootschap heeft aangevraagd en daarna heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers heeft betaald met voorrang boven die vennootschapsschuldeiser. De betrokken bestuurder kan ter zake van deze benadeling persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt”. Ook hieruit blijkt dat de Hoge Raad de werkingssfeer van de paritas creditorum niet uitbreidt naar de periode voor faillissement.12
De conclusie is dat vóór de faillietverklaring (ook niet vanaf het moment dat er sprake is van een feitelijke concursus creditorum) de paritas creditorum ex artikel 3:277 BW niet van toepassing is.