De rol van de paritas creditorum bij een faillissement
Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.2.2:3.3.2.2 Revindicatie
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.2.2
3.3.2.2 Revindicatie
Documentgegevens:
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686125:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De op te eisen roerende zaak moet wel individualiseerbaar zijn. Vgl. HR 12 januari 1968, NJ 1968/274 (Teixeira de Mattos).
Zie voor eigendomsvoorbehoud artikel 3:92 BW.
Vgl. Molengraaff 1936, p. 177: “Het faillissement vindt als vermogensbeslag zijn grens daar waar het vermogen eindigt. Wat niet tot het vermogen behoort, valt niet in het faillissement.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een eigenaar heeft het recht zijn roerende of onroerende zaak als schuldeiser met een beroep op artikel 5:2 BW bij de curator op te eisen.1 Een revindicatievordering hoeft niet ter verificatie te worden ingediend. Dit geldt voor eigenaren die toevallig op het erf van de schuldenaar een goed hebben staan. Ook geldt dit voor eigenaren die met betrekking tot een bepaald goed een huurovereenkomst hebben gesloten na afloop van de huurovereenkomst. Eveneens is een dergelijke situatie aan de orde als een eigenaar een goed onder eigendomsvoorbehoud heeft geleverd, terwijl de verschuldigde prestatie niet is voldaan door de gefailleerde.2 In feite gaat het om een faillissementsrechtelijke vorm van reële executie. Het betreft hier geen samenloop van schuldeisers in het kader van het faillissementsbeslag. De betreffende goederen vallen immers – als eigendom van een derde partij – niet onder dit beslag.3 Het betreft een zakelijke aanspraak op de boedel. In het kader van een individuele executieprocedure zouden de betreffende schuldeisers ook door een revindicatievordering buiten de beslagexecutie kunnen blijven. Het gaat hier derhalve niet om een schuldeiser in de zin van artikel 26 Fw, zodat – nu sprake is van een ongelijk geval ten opzichte van de overige schuldeisers van de schuldenaar – een gelijke behandeling niet is geïndiceerd.