Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.2.3
3.3.2.3 Pand- en hypotheekhouders
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686176:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:248 BW en art. 3:268 BW. In het kader van de verdeling is van belang dat zij een voorrangsrecht hebben. Zie 3:227 BW.
Als een pand- of hypotheekhouder zijn rechten geldend maakt via de weg van parate executie geldt voor eventuele andere beperkt gerechtigden in de zin van artikel 3:282 BW dat zij hun vordering niet ter verificatie hoeven aan te melden. Zij kunnen zich als separatist verhalen.
Het uitgangspunt dat pand- en hypotheekhouders niet worden geraakt door het faillissement moet worden gerelativeerd. Er gelden diverse uitzonderingen op dit uitgangspunt. Zie bijvoorbeeld de in artikel 63a e.v. Fw opgenomen afkoelingsperiode. Daarnaast kan de curator onder omstandigheden ex artikel 58 lid 1 Fw een redelijke termijn stellen met ingrijpende gevolgen indien niet aan deze termijnstelling wordt voldaan. Ook heeft de curator ex artikel 58 lid 2 Fw de bevoegdheid om te lossen.
Voor het deel van hun vordering dat zij niet op de opbrengst van het onderpand kunnen verhalen, kunnen zij als concurrente crediteur in de boedel opkomen. Zie de artikelen 59 Fw en 132 lid 1 Fw.
Niet iedere schuldeiser hoeft, in het individuele executierecht, de verhaalsexecutie met een beslag in te leiden. Pand- en hypotheekhouders hebben het recht van parate executie.1 Zij hoeven zich derhalve niet te mengen in de beslagexecutie en nemen een andere positie in dan schuldeisers die zich uitsluitend via de weg van beslaglegging kunnen verhalen. In het kader van een faillissement heeft dit tot gevolg dat pand- en hypotheekhouders hun vordering niet ter verificatie hoeven aan te melden. Zij kunnen zich aan de concursus creditorum onttrekken door zelf rechtstreeks verhaal te zoeken op de goederen van de schuldenaar waarop het pand- of hypotheekrecht rust.2 Artikel 57 lid 1 Fw bepaalt in dit verband ook dat zij hun rechten kunnen uitoefenen alsof er geen faillissement was.3
Pand- en hypotheekhouders worden, gelet op het vorenstaande, ten opzichte van de overige schuldeisers van de schuldenaar anders behandeld dan de schuldeisers die uitsluitend via de weg van verificatie verhaal kunnen zoeken onder de schuldenaar.4 Net als in het individuele executierecht kunnen schuldeisers met een pand- of hypotheekrecht zich in een faillissement in beginsel ook buiten de weg van beslaglegging om rechtstreeks verhalen op de verbonden goederen van de schuldenaar. Pand- en hypotheekhouders zijn ten opzichte van de overige schuldeisers van de schuldenaar in het kader van de verificatie dan ook geen gelijk geval, zodat een andere behandeling in het kader van art. 26 Fw gerechtvaardigd is.