Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.5:4.3.4.5 Cessie van het recht op teruggaaf
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.4.5
4.3.4.5 Cessie van het recht op teruggaaf
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS498165:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het factoorsbesluit merkt de staatssecretaris van Financiën op dat het civiele recht mogelijkheden biedt om het uit art. 29 lid 1 Wet OB 1968 voortvloeiende recht op teruggaaf (van de leverancier) aan de factor (of meer in het algemeen: een derde) over te dragen, maar voegt daaraan toe dat partijen in de praktijk slechts bij uitzondering in staat zullen zijn een cessie te bewerkstelligen. Deze stelling vraagt om een nader onderzoek. Met de invoering van een zelfstandig recht op teruggaaf jegens de Belastingdienst van degene die vorderingen heeft overgenomen, lijkt de relevantie van deze vraag te zijn weggenomen, maar toch zijn er gevallen denkbaar waarin art. 29 lid 6 Wet OB 1968 geen toepassing vindt en het wel wenselijk is dat de koper van een vordering het recht op teruggaaf bij oninbaarheid toekomt. Ik denk hierbij vooral aan gevallen buiten de factoringpraktijk, waarin geen sprake is van het ‘overdragen’ van een vordering of waarin één of beide bij de overdracht betrokken partijen geen ondernemer is. Daarnaast kan met een cessie worden bewerkstelligd dat de koper van een vordering (bijvoorbeeld wel in het kader van factoring) zijn krachtens art. 29 lid 6 Wet OB 1968 verworven recht weer terugoverdraagt aan de verkoper van de vordering, omdat het debiteurenrisico daar is achtergebleven zonder dat gewerkt wordt met een retrocessie van de vordering.1 Voorts kan met een cessie worden bereikt dat het recht op teruggaaf toekomt aan een ander dan de bij de overdracht van het onderliggende vorderingsrecht betrokken partijen (bijvoorbeeld een willekeurige derde).2 Tot slot kan de vraag of het recht op teruggaaf voor cessie vatbaar is relevant zijn voor het geval de indeplaatstredingsregeling strijdig mocht zijn met het Unierecht (zie paragraaf 4.3.4.7).
In deze paragraaf onderzoek ik of het recht op teruggaaf inderdaad, al dan niet samen met het onderliggende vorderingsrecht, kan worden overgedragen en welke belemmeringen zich hierbij voordoen. Ik veroorloof mij hiervoor een verkenning van het civiele recht, in het bijzonder art. 3:83 e.v. BW, waarin de civielrechtelijke verkrijging van goederen door overdracht is geregeld. Ik beperk me tot een globale bespreking van het ter zake relevante recht. Ik besteed met name aandacht aan de blijkens art. 3:84 lid 1 BW voor een rechtsgeldige overdracht relevante vereisten: een geldige titel (paragraaf 4.3.4.5.3), beschikkingsbevoegdheid van de overdrager (4.3.4.5.4) en een leveringshandeling (4.3.4.5.5). Aan de vraag of aan deze overdrachtsvereisten wordt voldaan gaan de vragen of het recht op teruggaaf als een nevenrecht kan worden aangemerkt (paragraaf 4.3.4.5.1) en of het recht op teruggaaf overdraagbaar is (paragraaf 4.3.4.5.2) vooraf. Omdat het recht op teruggaaf een vordering op de Belastingdienst behelst sta ik volledigheidshalve in paragraaf 4.3.4.5.6 stil bij het instemmingsvereiste van de Belastingdienst. Ik sluit het geheel af in paragraaf 4.3.4.5.7.
4.3.4.5.1 Het recht op teruggaaf als nevenrecht?4.3.4.5.2 Overdraagbaarheid4.3.4.5.3 Geldige titel4.3.4.5.4 Beschikkingsbevoegdheid4.3.4.5.5 Leveringshandeling4.3.4.5.6 Instemmingsvereiste Belastingdienst4.3.4.5.7 Tot slot