De rol van de paritas creditorum bij een faillissement
Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.2.6:3.3.2.6 Actieve prestatie versus passieve prestatie
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.2.6
3.3.2.6 Actieve prestatie versus passieve prestatie
Documentgegevens:
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686159:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit onderscheid is dus niet beperkt tot verbintenissen die voortvloeien uit overeenkomsten. Vgl. HR 23 maart 2018, NJ 2018/290 (Credit Suisse/OSX) onder 3.5.5.
Zie nader hierover Verheul 2019.
Zie de artikelen 131 en 133 Fw.
Vgl. Stein 2016, p. 152
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van een rechtsverhouding1 kunnen twee typen verbintenissen worden onderscheiden. Zo zijn er verbintenissen die een actieve prestatie verlangen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een verplichting tot betaling van een geldsom of het verrichten van werkzaamheden. En er zijn verbintenissen die verplichten tot een passieve prestatie. Denk aan het onthouden van bepaalde gedragingen of het dulden van gebruik.2
Een curator heeft met betrekking tot een verbintenis van een faillissementsschuldeiser in beginsel het recht deze verbintenis niet na te komen. Dit recht van de curator om niet na te komen, heeft met betrekking tot een verbintenis die een actieve prestatie van de curator verlangt tot gevolg dat de vorderingen van deze schuldeiser in beginsel ter verificatie kunnen worden ingediend naar de geschatte waarde die deze op dag van de faillietverklaring hebben.3 Dit recht om niet na te komen sorteert echter geen effect met betrekking tot een verbintenis die een passieve prestatie van de curator verlangt. Stilzitten is in dat geval juist de door partijen beoogde houding. Intussen ontvangt de schuldeiser die aanspraak maakt op het stilzitten van de curator in het laatste geval een ongelijke behandeling. In plaats van aangewezen te zijn op de verificatieprocedure komt deze schuldeiser buiten de verificatie om aan zijn trekken. Deze ongelijke behandeling kan worden gerechtvaardigd doordat voor het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers het om verschillende gevallen gaat. Dit kan als volgt worden toegelicht.
In het kader van de individuele verhaalsexecutie doen schuldeisers met een verbintenis die een passieve prestatie verlangen in beginsel niet mee. De verhaalsexecutie richt zich op schuldeisers die een geldvordering op de schuldenaar verhalen. Schuldeisers, waarvan aanspraken op grond van een verbintenis die een passieve prestatie verlangt, niet worden nagekomen, zijn aangewezen op de indirecte reële executie waarbij zij onder druk van een dwangsom of lijfsdwang trachten hun aanspraken af te dwingen.4 Tegen deze achtergrond kan de ongelijke behandeling verklaard worden. In het kader van de collectieve verhaalsexecutie geldt ook dat dergelijke schuldeisers – net als in de individuele verhaalsexecutie – in beginsel niet meedoen.