Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/4.3.1.2
4.3.1.2 Artikel 47 Fw
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686227:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip “voldoening van een opeisbare schuld door de schuldenaar” moet ruim worden opgevat. Het kan gaan om de betaling van een geldsom, maar bijvoorbeeld ook om het vestigen van zekerheidsrechten (vgl. HR 22 september2006, JOR 2006/258). Zie nader Polak/Pannevis 2022/7.2.4.2. Zie ook HR 8 juli 1987, NJ 1988/104 (Loeffen q.q./BMH I): ook de creditering van de bankrekening van de schuldenaar door een betaling van de schuldeiser gevolgd door verrekening van rechtswege in de rekening-courantverhouding tussen de schuldenaar en de bank wordt aangemerkt als een voldoening van een opeisbare schuld door de schuldenaar. Zie voorts HR 18 januari 2008, NJ 2008/335 (Slijm/Brouwer) en Hof ’s-Hertogenbosch 1 oktober 2019, JOR 2020/66.
De wetgever heeft slechts de twee hierna genoemde uitzonderingen toegelaten. De Hoge Raad volgt een strikte uitleg van dit artikel. Zie HR 16 juni 2000, NJ 2000/578 (Van Dooren q.q./ABN AMRO I).
Sinds de inwerkingtreding van de WHOA (Stb. 2020, 414) op 1 januari 2021 is een vernietiging wegens wetenschap van de indiening van een faillissementsaanvraag bij de schuldeiser, niet mogelijk als de behandeling van die aanvraag op basis van de artikelen 3d, tweede lid Fw en 376, tweede lid, onder c Fw is geschorst vanwege de (verzochte) aanwijzing van een herstructureringsdeskundige of de (aankondiging van de) aanbieding door de schuldenaar van een akkoord.
De gevolgen van de vernietiging zijn geregeld in artikel 51 Fw. Zie de in artikel 51 lid 1 Fw neergelegde hoofdregel: “Hetgeen door de vernietigde rechtshandeling uit het vermogen van de schuldenaar gegaan is, moet door hen jegens wie de vernietiging werkt, aan de curator worden teruggegeven met inachtneming van afdeling 2 van titel 4 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.”
Vgl. HR 8 juli 1987, NJ 1988/104 (Loeffen q.q./Mees & Hope I), onder 3.4: “In verband daarmede moet worden geoordeeld dat voormelde strekking in het huidige rechtsverkeer niet tot haar recht zou komen en (lees: indien, toevoeging MJN) aan banken een uitzonderingspositie zou worden gelaten die niet valt te rijmen met de onderlinge gelijkheid van crediteuren ter zake van verhaal op het vermogen van hun schuldenaar (...)” (onderstreping: MJN). In zijn NJ-annotatie bij dit arrest merkt Van der Grinten onder “4” over de strekking van art. 47 Fw op: “De bepaling wil bereiken, dat de onderlinge gelijkheid van schuldeisers ter zake van het verhaal op het vermogen niet wordt verstoord. Indien de voldoening van de schuld een dergelijke verstoring niet teweeg brengt, moet de bepaling geen toepassing vinden.” De wetgever (zie Van der Feltz I 1994, p. 449) stelt: “De schuldeischer, die niet bloot een faillissement ducht, maar de zekerheid heeft verkregen dat daartoe aanvrage is gedaan, mag gezegd worden in strijd te handelen met de goede trouw door hem ook jegens zijn mede-schuldeischers in acht te nemen, wanneer hij onder die omstandigheden nog betaling van zijn schuldenaar vraagt en aanneemt, en zich op die wijze aan den concursus onttrekt.” De redelijkheid en billijkheid wordt door de wetgever derhalve genoemd als grondslag. In het geval van artikel 47 Fw zie ik hierbij de gelijke behandeling van schuldeisers als een concrete uitwerking van de redelijkheid en billijkheid. Het is niet billijk in de onderlinge verhouding tussen de schuldeisers dat er sprake is van een ongelijke behandeling doordat de ene schuldeiser wel betaling ontvangt en de overige schuldeisers niet. Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers komt derhalve via de band van de redelijkheid en billijkheid in de regel van artikel 47 Fw tot uitdrukking.
Vgl. Hof Den Bosch, 13 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5528, r.o. 7.4: “Art. 47 Fw heeft immers (mede) ten doel om de gelijkheid tussen crediteuren te bevorderen vanaf het moment dat het faillissement is aangevraagd.”
De faillissementspauliana kan soms ook worden ingeroepen tegen verplicht verrichte rechtshandelingen. De voldoening door een schuldenaar van een opeisbare schuld1 kan hierbij (uitsluitend)2 worden vernietigd indien één van de twee in artikel 47 Fw omschreven situaties zich voordoet: (1) een schuldeiser ontvangt nog betaling terwijl hij weet dat het faillissement van de schuldenaar is aangevraagd of (2) de betaling is het gevolg van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser met als doel de schuldeiser door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.3
In het geval van artikel 47 Fw gaat het telkens om situaties waarbij de ene schuldeiser wel betaling ontvangt en de overige schuldeisers niet. Die betaling heeft gevolgen voor de latere verdeling van de netto-opbrengst in het kader van het faillissement van de schuldenaar. De gezamenlijke schuldeisers zullen hierdoor minder ontvangen. Net als in het geval van artikel 42 Fw kan uitsluitend een curator een beroep doen op artikel 47 Fw. Het gevolg is, kort gezegd, dat de verrichte rechtshandeling wordt vernietigd waarna (bij een terecht beroep) de schuldeiser het ontvangen bedrag moet terugbetalen.4
Bij artikel 47 Fw geldt hetzelfde als hiervoor is gesteld bij de bespreking van de variant van de pauliana ex artikel 42 Fw. De schuldeisers van de schuldenaar worden ongelijk behandeld doordat de voldoening van een opeisbare schuld van één schuldeiser plaatsvindt ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers van de schuldenaar. Het is mogelijk dat de paritas creditorum hierbij wordt verstoord (doordat de ene concurrente schuldeiser betaling ontvangt, terwijl de overige concurrente schuldeisers hierbij bij de verdeling juist minder ontvangen). Het kan echter ook gaan om een situatie waarbij concurrente schuldeisers niet worden benadeeld (maar bijvoorbeeld de preferente schuldeisers of de boedelschuldeisers). Het faillissementsbeginsel van de gelijkheid van schuldeisers komt in artikel 47 Fw als regel tot uitdrukking.5Artikel 47 Fw strekt ertoe de benadeling van de schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden, ontstaan door de ongelijke behandeling, te herstellen.6