Einde inhoudsopgave
RvdW 2023/427
Witwassen. Oordeel dat sprake is van verbergen en verhullen van vindplaats geldbedragen ex art. 420bis lid 1 aanhef en onder a Sr is niet begrijpelijk.
HR 28-03-2023, ECLI:NL:HR:2023:462
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
28 maart 2023
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, Y. Buruma, C. Caminada
- Zaaknummer
21/03156
- Conclusie
A-G mr. P.M. Frielink
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:462, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 28‑03‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:153, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 07‑02‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑01‑2022
- Wetingang
Essentie
Witwassen. Het oordeel van het hof dat sprake is van verbergen en verhullen van de vindplaats van geldbedragen als bedoeld in art. 420bis lid 1 aanhef en onder a Sr is ontoereikend gemotiveerd. Wel is sprake van voorhanden hebben van geldbedragen afkomstig uit enig misdrijf.
Samenvatting
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van witwassen, onder meer omdat is bewezenverklaard dat de verdachte de vindplaats van geldbedragen heeft verborgen en verhuld. Nu uit de bewijsvoering van het hof niet méér kan worden afgeleid dan dat de verdachte — in losse stapeltjes — geldbedragen van € 10.000 en € 10.010 heeft meegevoerd ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.