Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/5.2.3.1
5.2.3.1 Extensieve interpretaties
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623044:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parl. Gesch. Boek 3, VV II, p. 772: 'Men denke behalve aan het geval dat de vordering van de pandhouder zelf niet opeisbaar is, nog aan de casus, waarin niet beide vorderingen geldvorderingen zijn.' In de MvA II wordt het hiermee samenhangende voorstel tot schrappen van de vereiste opeisbaarheid van vorderingen zonder nadere toelichting doorgevoerd (Parl. Gesch. Boek 3, p. 774). Zie ook Verdaas 2009, p. 685-686.
Vgl. ook § 1287 tweede volzin BGB.
Zie par. 6.3.
HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471. Zie voor een vergelijkbaar geval ook Rb Leeuwarden 18 augustus 2004, JOR 2004/313 (ING/Verdonk q.q.).
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, r.o. 3.3.3. Zie voor uitgebreide discussie die aan deze uitspraak voorafging de verwijzingen in de conclusie van A-G Hartkamp onder 7.
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, r.o. 3.3.3.
Zie ook Steneker 2004-II, onder 3.1.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, TM, p. 771 en MvA II, p. 772. Vriesendorp (2005, p. 750) ziet hier een mogelijkheid voor de wetgever om een regel van zaaksvervanging aan het BW toe te voegen. Anders voor deze uitspraak: Voûte 1993, p. 105 en 1994, p. 6.
De pandhouder is wel bevoegd alsnog mededeling te doen en zo inningsbevoegdheid te verkrijgen. Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN).
Deze regel geldt niet bij inning door de (stil) pandgever buiten faillissement, zie HR 12 juli 2002, NJ 2003, 194 (Rabobank/Knol q.q.).
Zie de vergelijking met art. 58 Fw in r.o. 3.4.3 en conclusie A-G Hartkamp bij HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, onder 15: '[…] het geïnde geldt als opbrengst in de zin van art. 180 lid 2 Fw, zodat de pandhouder zich daarop overeenkomstig zijn voorrang kan verhalen.' Zie ook Kortmann 2002, p. 393; Steneker 2004-II, onder 2 en 3. Vgl.: Faber 1995, p. 28; De Graaf 2000, p. 676 en 678; Vriesendorp 2005, p. 745. Vgl. ook Asser/Perrick 3-IV 2007, nr. 80, die zaaksvervanging bij executie op grond van art. 3:167 BW lijkt te aanvaarden als het een gemeenschappelijk zekerheidsrecht betreft. Anders: Asser/Van Mierlo/Mijnssen/Van Velten 3-III, nr. 376, waarin een grondslag voor deze voorrang wordt geacht te ontbreken.
Evenzo naar Belgisch recht, zie Sagaert 2003, p. 638: 'In de mate dat een dergelijke verkoop plaatsvindt bij een vereffeningsprocedure, kan dan ook geen sprake zijn van zakelijke subrogatie, aangezien het gaat om de realisatie van het eigenlijke object van het recht van voorrang.'
Zie conclusie A-G Hartkamp bij HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, onder 10: 'Maar het pandrecht geeft ook een verhaalsrecht (art. 3:227 BW), en dat komt na tegeldemaking van het voorwerp van het pandrecht juist tot gelding.' Anders Rank-Berenschot 1995, p. 152-153, die spreekt van een bijzonder nieuw voorrecht voor de pandhouder.
Zie ook Struycken 1997, p. 148-149: 'Het zekerheidsrecht [pandrecht, JBS] krijgt pas zijn betekenis als verhaalsrecht nadat het teniet is gegaan. […] Aan zaaksvervanging (substitutie) is geen behoefte: de voorrang is reeds een element van de figuur zekerheidsrecht dat nawerkt nadat het goederenrechtelijk recht besloten in het zekerheidsrecht is tenietgegaan.' Vgl. Vriesendorp, AA 1995 bij HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471, p. 607: 'Door alsnog voorrang toe te kennen aan de pandhouder hanteert de Hoge Raad in wezen toch een zaaksvervangingsregel die hij in het arrest herhaaldelijk en uitdrukkelijke afwijst.' Vgl. Snijders in zijn noot onder HR 23 april 1999, NJ 2000, 30 (NBC/Sisal I): 'Zijn pandrecht vervalt door de executie met dien verstande dat zijn recht op voorrang bij verhaal op de opbrengst als component van het oorspronkelijke pandrecht in stand blijft.' Het voordeel van toepassing van zaaksvervanging tijdens de executie zou zijn dat dit de voorrang bij de verdeling van de opbrengst eenvoudig onderbouwd. De schuldeiser behoudt dan namelijk door zaaksvervanging zijn zekerheids- of voorrecht tot het moment dat zijn vordering is voldaan. Een dergelijke oplossing wordt naar Duits recht gevolgd, zie onder anderen Wolf 1975-1976, p. 33.
Vgl. Van Straaten 2009, onder 3.
Zie Schim 2006, p. 195.
Zie Schim 2006, p. 196.
Vgl. ook Langemeijer 1927, p. 3. Vgl. voor Duits recht met betrekking tot een op deze wijze tot stand komen van een verlengd eigendomsvoorbehoud: Wolf 1975-1976, p. 36.
De pandhouder had bij vestiging van het oorspronkelijke pandrecht zijn positie kunnen versterken door tevens een pandrecht bij voorbaat te bedingen op (alle) toekomstige roerende zaken van de pandgever.
154.
Bestaande bepalingen lenen zich dus in beginsel voor verruiming van het toepassingsbereik, voor zover dit is te rijmen met de ratio van zaaksvervanging en eisen van rechtszekerheid. Het is de vraag in hoeverre de hiervoor gesignaleerde probleemgevallen kunnen worden opgelost door extensieve uitleg van bestaande bepalingen en hun beperkingen op basis van de ratio.
Art. 3:246 lid 5 BW is een kandidaat voor een verruiming van de toepassing door middel van een op de overeenkomsten van de betrokken situaties gebaseerde extensieve interpretatie. De vordering tot levering van een registergoed wijkt in wezen nauwelijks af van vorderingen tot levering van niet-registergoederen. Steeds bestaat een recht op het verkrijgen van eigendom door middel van een specifieke voor het betreffende goed voorgeschreven leveringshandeling. De indirecte beperking tot niet-registergoederen vindt verder geen onderbouwing in de parlementaire geschiedenis. Hierin wordt slechts éénmaal indirect verwezen naar een geval waarin de verpande vordering geen geldvordering betreft,1 hetgeen het vermoeden doet rijzen dat het hier om een onbedoelde omissie gaat.2 Deze veronderstelling wordt bevestigd, indien de wetgever overgaat tot invoering van art. 3.6.8 lid 2 voorontwerp Iw, aangezien daaruit kan worden afgeleid dat de wetgever het belang van de pandhouder van een vordering tot levering van een registergoed gelijkelijk wenst te beschermen als dat van een pandhouder met een zekerheidsrecht op andere vorderingen, waarop het eerste lid van het voorgestelde artikel van toepassing is.
De ratio van art. 3:246 lid 5 BW behelst geen beperking van het toepassingsbereik, hetgeen het in beginsel mogelijk maakt door middel van een soepele interpretatie afstand te nemen van de letterlijke bewoordingen van deze bepaling en haar als wettelijke grondslag te accepteren voor een vervangend hypotheekrecht op het geïnde registergoed. Een voorwaarde voor instemming met een dergelijke uitleg is echter dat de in het volgende hoofdstuk centraal staande vraag naar beperkingen van andere aard, zoals de tenaamstelling in de openbare registers, geen roet in het eten gooit.3
Daarnaast moet een inschrijving van het vervangende recht in de openbare registers, waartoe art. 3.6.8 lid 2, tweede volzin voorontwerp Iw de bewindvoerder ook verplicht, mogelijk zijn. Hiertoe dient voldoende informatie beschikbaar te zijn, zoals een beschrijving van het bezwaarde goed, een aanduiding van (een maximum van) de vordering waartoe de vervangende hypotheek tot zekerheid strekt (vgl. art. 3:260 BW) en de eventuele toepasbaarheid van diverse gebruikelijke hypotheekbedingen (vgl. art. 3:264-267 BW).
155.
Dat art. 3:246 lid 5 BW zich in het voorgaande geval voor extensieve interpretatie Leent, wil echter niet zeggen dat ook andere situaties waarin dit artikel een rol speelt op deze manier kunnen worden opgelost. Een voorbeeld van een ander geval leidde tot het arrest van de Hoge Raad inzake Mulder q.q./CLBN.4 De pandhoudende bank, CLBN, had in casu een stil pandrecht op vorderingen van de gefailleerde Connection. Tijdens het faillissement worden verpande vorderingen door de curator, Mulder, geïnd. De bank betoogde dat haar pandrecht behouden bleef en zij dus als separatist recht had op afdracht van het geïnde. De Hoge Raad verwierp deze stelling.5 Door inning gaat de vordering teniet en daarmee ook het op de vordering rustende beperkte recht, zie art. 3:81 lid 2, sub a BW. Het beroep op zaaksvervanging faalt. 'Het op deze wijze ontstaan van pandrecht zou slechts op grond van een daartoe strekkende wettelijke bepaling kunnen worden aangenomen, doch een zodanige bepaling ontbreekt voor het hier bedoelde geval.'6
Art. 3:246 lid 5 BW biedt de noodzakelijke grondslag niet, omdat het van toepassing is op het geval waarin de pandhouder int of de pandgever met toestemming van de kantonrechter int in het geval de inningsbevoegde pandhouder niet tot inning overgaat. Een regel van zaaksvervanging voor de innende pandgever of zijn curator ontbreekt.7 Buiten faillissement wordt de pandhouder geacht het einde van zijn recht bij inning door de pandgever op de koop toe te nemen, omdat dit de bedrijfsvoering van de pandgever ten goede komt, hetgeen indirect de kans vergroot dat de gezekerde vordering wordt voldaan. Een extensieve interpretatie bij inning door de curator zou mogelijk zijn, maar ligt hier niet voor de hand, nu de wetgever de regeling bewust lijkt te hebben beperkt tot gevallen waarin de pandhouder inningsbevoegd is.8 Bij inning van stil verpande vorderingen door de curator is de pandhouder nog niet inningsbevoegd, waardoor zaaksvervanging niet voor de hand ligt.9
De Hoge Raad komt de pandhouder echter wel tegemoet. Het pandrecht vervalt weliswaar door de inning door de curator, maar de voorrang bij verhaal die het pandrecht op grond van art. 3:227 BW bood, blijft behouden.10 Dit is te verklaren als men de inning door de curator aanmerkt als een vorm van executie.11 Bij elke executie wordt immers aangenomen dat het beperkte zekerheidsrecht of elk ander voorrangsrecht op het geëxecuteerde goed eindigt en de gerechtigde voorrang krijgt bij de verdeling van de aldus verkregen opbrengst. Dit behoud van voorrang wordt niet gezien als een vorm van zaaksvervanging, waarbij de opbrengst een surrogaat is van het oorspronkelijke goed.12 In plaats daarvan wordt de executie benaderd als een uitoefening van het pandrecht of het algemene recht van de schuldeisers op grond van art. 3:276 BW en dat biedt voldoende reden voor voorrang bij verhaal op de opbrengst.13 De benadering waarbij executie gepaard gaat met zaaksvervanging is in beginsel mogelijk, maar niet noodzakelijk, nu de gevolgde benadering tot hetzelfde resultaat leidt.14 Een extensieve interpretatie bij executie moet vanwege de andere wettelijke benadering worden afgewezen.
156.
Een andere kandidaat voor extensieve interpretatie, in dit geval van art. 3:229 en 3:213 BW, is het geval waarin verpande of met vruchtgebruik belaste certificaten worden gedecertificeerd.15 De vordering tot uitgave van de aandelen door het administratiekantoor is wellicht in strikte zin geen vordering tot vergoeding, maar deze vordering (en, eventueel gecombineerd met art. 3:246 lid 5 BW, hetgeen wordt verkregen door nakoming daarvan) heeft een vergelijkbare strekking. Daarnaast leidt een dergelijke interpretatie tot een concrete en goed te overziene uitbreiding van de bepaling. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld een verruiming van het bereik van de vergoedingsvorderingen tot alle koopsomvorderingen. Bij teboekstellingen van schepen ligt een dergelijke oplossing minder voor de hand, nu de wetgever hier primair geeft gekozen voor een medewerkingsvereiste ter bescherming van de positie van derden.
Een ander probleem doet zich voor bij de uitlevering van girale effecten waarop een pandrecht of een beslag rust.16 De in art. 31 lid 1 Wge opgenomen regel van zaaksvervanging bij uitlevering van de effecten geeft een ruime vervanging voor de beperkte rechten, maar de vervanging is voor beslag beperkt tot gevallen van uitlevering ter executie. Uitlevering zonder dat sprake is van executie van effecten op basis van een aandeel waarop beslag is gelegd, is niet geregeld.17 Schim neemt aan dat desondanks ook buiten gevallen van executie bij uitlevering van effecten voor een aandeel waarop beslag is gelegd, sprake is van zaaksvervanging door 'een extensieve interpretatie, althans analoge toepassing' van art. 31 lid 1 Wge.18 Een extensieve interpretatie lijkt mij hier beslissend.
157.
Ten slotte kan aan art. 3:167, 5:14 lid 2 en 5:16 lid 1 BW naar mijn mening een ruimer bereik worden toegerekend. Voor het eerste artikel geldt dat deze regel dan niet alleen de bij het oorspronkelijke goed betrokken deelgenoten beschermt, maar ook degene met een beperkt recht op een aandeel. Art. 3:167 BW beoogt immers de rechtsverhouding tussen de deelgenoten te behouden wanneer een wijziging ten aanzien van het gemeenschappelijke goed optreedt. De beperkt gerechtigde tot een aandeel heeft een met de deelgenoten vergelijkbare aanspraak op het oorspronkelijke goed, hetgeen rechtvaardigt dat de genoemde bepaling van zaaksvervanging ook in zijn voordeel werkt. Daarmee wordt een ongerechtvaardigde verrijking van (de schuldeisers van) de deelgenoot met het bezwaarde aandeel voorkomen. De werking van art. 3:177 lid 2 BW kan dan worden beperkt tot verdelingen van de gemeenschap.
Op de verkrijgingen bij natrekking zonder hoofdzaak en zaaksvorming in de zin van art. 5:16 lid 1 BW kan eenzelfde redenering worden gevolgd. Deze artikelen zien op het behoud van een vermogensevenwicht en dit kan gepaard gaan met zaaksvervanging voor derden met een beperkt recht op de oorspronkelijke zaken.19 De verkrijging van vervangende beperkte rechten op de nieuwe zaak als deze aan de hoofdgerechtigde toe gaat behoren, voorkomt ook hier een ongerechtvaardigde verrijking en bijbehorende verarming. Nu beide artikelen al een vervangende rechtsverkrijging regelen, is de stap naar verkrijging van vervangende beperkte rechten relatief klein. Wanneer een timmerman uit zijn eigen, met een pandrecht bezwaarde planken een boekenkast timmert, betekent dit dat de boekenkast op grond van art. 5:16 lid 1 BW eigendom van de vakman wordt, maar eveneens dat de pandhouder hierop van rechtswege een vervangend pandrecht verkrijgt.20