Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht
Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/5.5.3.1:5.5.3.1 Het stemrecht. Onderscheiding in situaties
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/5.5.3.1
5.5.3.1 Het stemrecht. Onderscheiding in situaties
Documentgegevens:
mr. H.J.M.M. van Boxel, datum 11-05-2011
- Datum
11-05-2011
- Auteur
mr. H.J.M.M. van Boxel
- JCDI
JCDI:ADS430736:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten aanzien van het stemrecht waar de 118a-certificaathouder (mogelijk) gebruik van kan maken, kan onderscheiden worden in drie situaties:
het administratiekantoor heeft de volmacht verleend;
het administratiekantoor heeft bekend gemaakt dat zij de volmacht zal verlenen;
het administratiekantoor sluit de volmacht uit, beperkt deze of herroept een reeds verleende volmacht.1
Het onderscheid is wel van belang om te bepalen wanneer de certificaathouder van zijn recht tot het doen van een verzoek tot schadeloosstelling gebruik kan maken. Is vereist dat hij over een geldige stemvolmacht beschikt? Met andere woorden, kan hij slechts van het recht gebruik maken als hij daadwerkelijk over een volmacht van het administratiekantoor beschikt? En dus niet in 'oorlogstijd'? Moet de bepaling zo gelezen worden dat de certificaathouder ten aanzien van een besluit tot grensoverschrijdende fusie óók (dus naast het administratiekantoor) stemrecht krijgt? Of moet de bepaling zo gelezen worden dat de certificaathouder die het stemrecht krachtens volmacht uitoefent en tegen de fusie stemt alsook de certificaathouder die van zijn spreekrecht ex artikel 117 lid 2 in de algemene vergadering gebruik maakt en kenbaar maakt tegen de fusie te zijn het recht toekomt?
Soortgelijke vragen spelen ook bij andere situaties binnen het recht. Van Olffen2 behandelt de verschillende situaties (wel stemrecht/geen stemrecht) in het kader van het verplicht openbaar bod. Hij concludeert, in tegenstelling tot anderen,3 dat voor het verplicht moeten uitoefenen van het openbaar bod de certificaathouder daadwerkelijk het stemrecht moet kunnen uitoefenen. Hij schrijft: 'in de wettelijke regeling is het kunnen uitoefenen van (ten minste) 30% van de stemrechten een vereiste dat niet zo maar opzijgeschoven kan worden'.
Ik ben het met hem eens.
Maar een dergelijk vereiste zou niet bij de uittreedregeling moeten gelden. Dat zou namelijk betekenen dat het uittreedrecht de certificaathouder niet zou toekomen ingeval het administratiekantoor het stemrecht zelf uitoefent.