Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.11
9.4.11 Overschrijding van de redelijke termijn
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940280:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor een bespreking van dit vereiste zie Feteris 2007, p. 365 e.v., en (uitgebreider, maar inmiddels gedateerd) Feteris 2002, hoofdstuk 10.
Wanneer er precies van een overschrijding sprake is, volgt niet eenduidig uit de rechtspraak van het EHRM. Steeds zijn daarbij alle omstandigheden van het geval van belang, zie Feteris 2007, p. 376.
Zie Feteris 2007, p. 379. Compensatie mag van het EHRM ook op andere wijze worden verleend. De Nederlandse belastingrechter zoekt de oplossing echter steeds in matiging van de opgelegde of nog resterende boete. Denkbaar is ook dat er (vrijwel) geen immateriële schade is geleden door de overschrijding, zodat compensatie achterwege zou mogen blijven. Ook kan, wanneer de omvang van de boete relatief gering is, worden volstaan met de enkele constatering van de overschrijding (zie bijvoorbeeld HR 4 maart 2016, V-N 2016/15.28, r.o. 3 (verzuimboeten van € 1.000)), welke constatering dan voldoende compensatie biedt. Zie daarover nader paragraaf 14.4.4.3.1.
Zie HR 22 april 2005, V-N 2005/22.6, BNB 2005/337 en HR 19 december 2008, V-N 2008/62.7, BNB 2009/201. Verder is het arrest HR 19 februari 2016, V-N 2016/13.4, BNB 2016/140 van belang. Hoewel de Hoge Raad in dat overzichtsarrest de uitgangspunten voor de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de sfeer van de heffing heeft geformuleerd, heeft de Hoge Raad later geoordeeld dat die uitgangspunten ook in de sfeer van de boete van toepassing zijn, zie HR 21 juni 2019, V-N 2019/31.18, r.o. 4.2.
HR 5 december 2008, BNB 2009/177, V-N 2008/59.9.
Zie over de omvang van de matiging nader paragraaf 14.4.4.3.1.
HR 22 april 2005, V-N 2005/22.6, BNB 2005/337, r.o. 4.6, HR 5 december 2008, BNB 2009/177, V-N 2008/59.9.
HR 22 april 2005, V-N 2005/22.6, BNB 2005/337, r.o. 4.7. Op dit punt wijkt het fiscale recht af van het algemeen geldende bestuursrecht, waar de hoofdregel veeleer als ‘nee, tenzij’ moet worden omschreven, zie Van Buuren & Borman 2011, p. 737.
Zie Hof Amsterdam 17 juni 2021, V-N 2021/37.20.22, r.o. 5.10.
Zie bijvoorbeeld HR 28 oktober 2011, V-N 2011/53.15, BNB 2012/25, r.o. 4.
Een dergelijke schadevergoeding staat los van een eventuele matiging van de boete (waar toepasselijk worden de immateriële schadevergoeding en de boetevermindering naast elkaar toegekend), zie HR 10 juni 2011, V-N 2011/31.6, BNB 2011/234, r.o. 3.3.4. Vgl. ook de slotzinnen van het derde lid van het voorgestelde art. 30a Wet WOZ en van art. 19a Wet BPM (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM (36 427), beoogde inwerkintreding 1 januari 2024).
Zie het overzichtsarrest HR 19 februari 2016, V-N 2016/13.4, BNB 2016/140, r.o. 3.13.1 en 3.13.2.
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.4.14. Vgl. voorts paragraaf 9.4.15 inzake verjaring.
HR 22 april 2005, V-N 2005/22.6, BNB 2005/337, r.o. 4.7. Een ander voordeel is dat zonder een dergelijk beroep op overschrijding mogelijk geen proceskostenveroordeling en geen vergoeding van het griffierecht zal volgen. Wanneer de boete namelijk louter vanwege een ambtshalve geconstateerde overschrijding wordt gematigd, blijven die vergoedingen achterwege, zie HR 21 juni 2019, V-N 2019/31.18, r.o. 4.6 en HR 16 september 2011, V-N 2011/47.5, BNB 2011/286.
HR 29 september 2023, V-N 2023/43.14, r.o. 5.3.1.
Op zich is dat in lijn met de regels die gelden in de sfeer van de heffing (zoals hiervoor is opgemerkt, is daar in beginsel een verzoek nodig). Toch voelt het wat vreemd aan dat de overschrijding van de redelijke termijn in alle boetezaken ambtshalve wordt getoetst, behalve als de boete wordt vernietigd. Overigens bestaat er vermoedelijk ook op die uitzondering een uitzondering. Naar mijn inschatting zal de Hoge Raad soms toch ambtshalve toetsing voorschrijven, namelijk in dezelfde gevallen als waarin hij dat in de sfeer van de heffing heeft gedaan. Het gaat dan om situaties waarin de redelijke termijn wordt overschreden nadat de rechter de (eigen) wettelijke termijn voor het doen van uitspraak heeft gemist (zie HR 19 februari 2016, V-N 2016/13.4, BNB 2016/140, r.o. 3.13.2). Ook in zaken waarin de boete (uiteindelijk) wordt vernietigd, zal de rechter de overschrijding van de redelijke termijn dan (wél) ambtshalve moeten constateren. Ten slotte merk ik nog op dat als er geen verzoek is gedaan, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Volgens art. 6 lid 1 EVRM heeft de boeteling recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.1 Als die termijn wordt overschreden,2 compenseert de Nederlandse belastingrechter de boeteling door de boete te matigen.3 De Hoge Raad heeft daartoe enige vuistregels geformuleerd.4 Van belang is dat de overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM een zelfstandige grond voor vermindering van de boete oplevert.5 Staat de overschrijding eenmaal vast, dan volgt daaruit automatisch dat de boete moet worden gematigd.6 De rechter is daartoe gehouden.7 De rechter dient bovendien altijd ambtshalve te onderzoeken óf de redelijke termijn is overschreden.8 In hoger beroep strekt dat onderzoek zich vermoedelijk ook uit naar de beoordeling van de overschrijding zoals de rechtbank in eerste aanleg die heeft uitgevoerd.9 Ook de Hoge Raad verricht een dergelijk onderzoek (in ieder geval ten aanzien van de duur van de cassatieprocedure) ambtshalve.10 Het fiscale boeterecht wijkt op dit punt af van de sfeer van de heffing. Om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in de sfeer van de heffing te krijgen,11 moet daar in beginsel om worden verzocht.12
De Hoge Raad heeft aldus een zelfstandige onderzoeksplicht op de rechter gelegd. De rechter kan niet volstaan met het constateren van een overschrijding wanneer de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven. Hij moet actief de benodigde feiten verzamelen en dus zo nodig bewijsopdrachten geven, stukken opvragen of vragen stellen. Hoewel de Hoge Raad dit niet als zodanig heeft benoemd, is er de facto sprake van een kwestie van openbare orde.13 Ondanks dat de boeteling dus geen stelplicht of bewijslast heeft, is het verstandig om een uitdrukkelijk beroep te doen op de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dat roept voor de rechter namelijk een motiveringsplicht in het leven: als de rechter van oordeel is dat er geen overschrijding heeft plaatsgevonden, hoeft hij dat slechts te onderbouwen indien de boeteling heeft geklaagd over de termijn van de behandeling.14 Bovendien geldt voor gevallen waarin de rechter de boete geheel vernietigt, een bijzondere regeling. Compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn door middel van matiging levert in zulke gevallen uiteraard niets op. In plaats daarvan kan de boeteling dan (net zoals in de sfeer van de heffing) recht hebben op een immateriële schadevergoeding.15 Opvallend is dat de Hoge Raad voor de toekenning van een dergelijke vergoeding wél een verzoek vereist.16