Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/2.4.1
2.4.1 Beleid van de Raad voor de rechtspraak
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174162:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Jaarplan voor de rechtspraak 2004, p. 37.
Jaarplan Rechtspraak 2005, p. 4.
Jaarplan Rechtspraak 2006, p. 2, 4, 15. In het Jaarverslag Rechtspraak 2006 (p. 43) is een vergelijkbare opvatting te lezen.
Jaarplan Rechtspraak 2007, p. 4, 14.
Jaarverslag Rechtspraak 2008, p. 9; Jaarverslag Rechtspraak 2007, p. 42.
Jaarplan Rechtspraak 2010, p. 9, 13; Jaarplan Rechtspraak 2009, p. 9; Jaarplan Rechtspraak 2008, p. 10. De normen voor meervoudige behandeling en meelezen maakten deel uit van de doelstelling ‘Deskundige rechtspraak’ uit de Agenda van de Rechtspraak 2011-2014, p. 6. In de Agenda van de Rechtspraak 2015-2018 zijn zij niet meer uitdrukkelijk opgenomen.
Jaarverslag Rechtspraak 2010, p. 10.
Jaarplan Rechtspraak 2012, p. 18.
In paragraaf 9.1 zijn de normen voor meervoudige behandeling per rechtsgebied weergegeven. Sinds 2013 worden normen soms ook streefwaarden genoemd.
Jaarverslag Rechtspraak 2017, p. 38; Jaarverslag Rechtspraak 2016, p. 38; Jaarverslag Rechtspraak 2015, p. 33; Jaarverslag Rechtspraak 2014, p. 53; Jaarverslag Rechtspraak 2013, p. 50; Jaarverslag Rechtspraak 2012, p. 17. In de jaarverslagen van 2007 (p. 42) en 2008 (p. 9) werden dezelfde opvattingen geventileerd.
In het eerste Jaarplan Rechtspraak, uit 2003, sprak de Raad geen voorkeur uit voor meer enkelvoudige of meervoudige afdoening. In het Jaarplan Rechtspraak 2004 gebeurde dat wel. De Raad toonde zich daarin verheugd over een veronderstelde toename van het aantal enkelvoudige zaken:
‘Tevens werd aangenomen dat de verhouding tussen enkel- en meervoudige-kamerzaken (89 versus 11 procent) zou opschuiven naar verhoudingsgewijs meer enkelvoudige kamerzaken (93 versus 7 procent). Beide aannames blijken gezien de gerealiseerde instroom- en afdoeninggegevens uit 2003 te optimistisch.’1
In het Jaarplan Rechtspraak 2005 lijkt echter sprake te zijn van een omslag:
‘Steeds meer vragen de gerechten om oog te blijven houden voor de inhoudelijke kwaliteit van de rechtspraak. (…) [V]anuit de gerechten [komen] signalen dat door de druk op de productie de verhouding tussen het enkelvoudig en meervoudig afdoen van zaken uit balans dreigt te raken.’2
Het jaar daarop schreef de Raad in het Jaarplan 2006 dat meervoudige behandeling niet moest worden vermeden waar mogelijk. De blik moest juist gericht zijn op het creëren van een betere balans tussen kwantiteit en kwaliteit. De nieuw ontwikkelde kwaliteitsnormen voor permanente educatie, intervisie, meervoudige behandeling en meelezen zouden dit beleid gestalte gaan geven (zie paragraaf 2.4.2).3 In het Jaarplan Rechtspraak 2007 toonde de Raad zich nóg kritischer over het beleid van de voorbije jaren:
‘Inmiddels is duidelijk geworden dat de druk op de organisatie sporen heeft achtergelaten. Er bleef bijvoorbeeld te weinig tijd over voor scholing en er werden zaken enkelvoudig behandeld waar meervoudige afdoening meer in de rede had gelegen.’
De Raad spreekt zelfs van uitholling, waardoor duidelijk werd dat de inhoudelijke kwaliteit van de rechtspraak systematisch en langdurig verzekerd moet worden. Vaker meervoudig behandelen is nadrukkelijk voorgesteld als een van de manieren om dit te bereiken.4 De jaarverslagen over 2007 en 2008 voegden daaraan toe dat zaken waarin meervoudige behandeling gewenst is ook daadwerkelijk meervoudig moeten worden behandeld. Uit efficiencyoverwegingen zaken enkelvoudig afdoen is ongewenst. Rechters moeten dus ook de ruimte ervaren om een zaak meervoudig af te doen.5
Het streven naar frequentere meervoudige behandeling zette tot 2010 door. Om de doelstelling van meer kwaliteit in de rechtspraak te verwezenlijken werd in de jaarplannen van 2008, 2009 en 2010 gewezen op het belang van vaker meervoudig zitten, het meelezen van enkelvoudige vonnissen en intercollegiale toetsing. Hiertoe werden kwaliteitsnormen gesteld, die volgens de rapporten eind 2010 bij alle gerechten volledig dienden te zijn ingevoerd. De vastgestelde norm voor meelezen hield in dat iedere rechter in eerste aanleg maandelijks één enkelvoudige uitspraak liet meelezen. Van starters moesten in de eerste zes tot twaalf maanden alle uitspraken worden meegelezen.6
Maar juist in 2010 leek de Raad weer wat op zijn schreden terug te keren. Volgens het Jaarverslag 2010 is het lastig om op normen te sturen, aangezien de aangeleverde zaken niet vaak genoeg ‘mk-waardig’ zijn.7 Het Jaarplan 2011 vermeldde enkel de normen voor meervoudige behandeling zonder daar commentaar bij te leveren. In het Jaarplan 2012 was de Raad terughoudend in het promoten van meervoudige rechtspraak. Na evaluatie van de kwaliteitsnormen stelde de Raad ‘bijstelling van een aantal percentages meervoudige afdoening naar een realistisch niveau’ voor – lees: een verlaging. Verder moesten de normen voor meelezen een ‘bredere, kwalitatieve invulling’ krijgen ‘in de richting van reflectie’.8 In de jaarplannen sinds 2013 bleef het bij vermelding van normen voor meervoudige behandeling.9 Wel hebben de jaarverslagen sinds 2012 het belang van meervoudige rechtspraak benadrukt door te vermelden dat rechters de ruimte moeten hebben om een zaak collegiaal te behandelen, waarmee de juridische kwaliteit van een uitspraak is gediend. Zaken door een unus af laten doen uit efficiency is ongewenst.10
Hoe dan ook lijken de normen voor collegiale behandeling effect te hebben gehad, want de percentages meervoudige afdoening zijn sinds de invoering van de normen in 2007 in vrijwel alle rechtsgebieden gestegen (zie paragraaf 9.1).