Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.4.2.1:9.4.2.1 ‘Eén vordering/twee schuldenaren’-opvatting
Groepsregime, jaarrekening en 403-aansprakelijkheid (IVOR nr. 116) 2019/9.4.2.1
9.4.2.1 ‘Eén vordering/twee schuldenaren’-opvatting
Documentgegevens:
mr. drs. E.C.A. Nass, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
mr. drs. E.C.A. Nass
- JCDI
JCDI:ADS85620:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze opvatting1 geldt als uitgangspunt dat als de 403-rechtspersoon een schuld uit een door hem aangegane rechtshandeling heeft, de 403-aansprakelijke maatschappij door de 403-verklaring voor de voldoening van die schuld hoofdelijk aansprakelijk is. De schuldeiser – dus de rechthebbende van het vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon – heeft één vordering, te weten op de 403-rechtspersoon maar door de 403-verklaring een tweede debiteur. Het tweede debiteurschap ontstaat als er een 403-verklaring is op het moment dat de 403-vordering ontstaat, dan wel als na het ontstaan van de 403-vordering de 403-verklaring is afgegeven. Dit laat zien dat als er geen vordering is op de 403-rechtspersoon, er ook geen tweede debiteur is, ook al is er een 403-verklaring, of wordt die later gegeven: voorwaarde voor het tweede debiteurschap is dat de vordering op de 403-rechtspersoon er moet zijn. Een tweede debiteurschap kan daarom niet bestaan of ontstaan zonder vordering op de 403-rechtspersoon. Pas als die vordering ontstaat, kan de rechthebbende op een vorderingsrecht jegens de 403-rechtspersoon voor de voldoening van zijn vordering op de 403-rechtspersoon zowel de 403-rechtspersoon aanspreken als de 403-aansprakelijke maatschappij. Het gaat om dezelfde prestatie ten opzichte van de schuldeiser: de 403-rechtspersoon uit hoofde van zijn rechtshandeling en de 403-aansprakelijke maatschappij uit hoofde van haar 403-verklaring.2
Deze opvatting past binnen het wettelijke systeem in die zin dat de kenmerken van hoofdelijkheid worden gerespecteerd: geen subsidiariteit, één prestatie – in verband met de door de 403-rechtspersoon aangegane rechtshandeling – waartoe twee schuldenaren zich hebben verplicht (de 403-rechtspersoon uit hoofde van de aangegane rechtshandeling en de 403-aansprakelijke maatschappij uit hoofde van de 403-verklaring) en bevrijding van de hoofdelijke schuldenaren bij voldoening door één van hen, en is bovendien in lijn met de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest Akzo/ING, namelijk in die zin dat de 403-aanspraak geen afhankelijk recht is. Praktische problemen zoals bij een strikte uitleg dat het om Boek 6 BW-hoofdelijkheid gaat, zijn er niet. Ook het afzonderlijk overdragen van de 403-aanspraak kan niet aan de orde komen. In het geval dat de schuld van de 403-rechtspersoon wordt voldaan, bijvoorbeeld door de 403-aansprakelijke maatschappij, kan de schuldeiser geen voldoening van de schuld van de 403-rechtspersoon verlangen.