Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.7.8
4.7.8 Brengen accijnsgoed buiten belastingentrepot
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301738:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 21 368, nr. 3, p. 10.
Hof Leeuwarden 24 februari 2004, nr. 1540/02, LJN AO3434.
Zoals bijvoorbeeld: art. 66a Wa jo. art. 19a UB Accijns.
Vgl. Hof Arnhem 14 februari 2003, nr. 00/01339, LJN AF6033.
Als bedoeld in art. 13 UR Accijns.
Art. 66 lid 1 aanhef en onderdeel a Wa.
Als bedoeld in art. 19 lid 1 onderdeel a UB Accijns.
Hof ’s-Gravenhage 23 december 2004, nr. 03/03247, LJN AR8471, r.o. 6.5. HR 8 september 1993, nr. 29.168, BNB 1993/313. HR 9 juli 2004, nr. 38.723, LJN AP9596, FED 2004/398, BNB 2004/352.
Hof ’s-Gravenhage 23 december 2004, nr. 03/03247, LJN AR8471, r.o. 6.4 en 6.5. HR 6 juni 2003, nr. 35.372, BNB 2003/315. HR 8 september 1993, nr. 29.168, BNB 1993/313. HR 9 juli 2004, nr. 38.723, LJN AP9596, FED 2004/398, BNB 2004/352.
Zolang accijnsgoederen zich bevinden binnen het stelsel van onderling verbonden belastingentrepots is de accijnsheffing geschorst, maar zodra zij buiten dat stelsel worden gebracht komen zij per definitie in de verbruikssfeer terecht, welk brengen steeds als uitslag wordt aangemerkt. Aan het stelsel van de heffing van accijns ligt immers het uitgangspunt ten grondslag dat eerst accijns wordt geheven op het tijdstip waarop de accijnsgoederen in de verbruikssfeer terecht komen. De uitslag uit een belastingentrepot laat de materiële accijnsschuld ontstaan op het tijdstip waarop de accijnsgoederen de productie- en in beginsel de groothandelsschakel verlaten richting verbruiker.1 Het brengen van een accijnsgoed buiten een belastingentrepot is de meest basale en meest voorkomende vorm van uitslag.
Een Zweedse groothandelaar ontving bier onder schorsing van accijns van een Nederlandse bierbrouwer. Omdat de Zweedse groothandelaar geen vergunning had waarmee accijnsgoederen onder de schorsingsregeling uit een andere lidstaat mochten worden ontvangen, was naar de opvatting van het Gerechtshof te Leeuwarden (2004) vervoer onder de schorsingsregeling niet mogelijk, zodat daarmee sprake was van uitslag uit het belastingentrepot van de bierbrouwer in Nederland, van wie de ter zake van deze uitslag verschuldigde accijns dan ook is nageheven.2
De accordering die de douaneautoriteiten onder meer door middel van stempels op de diverse bescheiden plaatsen houdt doorgaans niet meer in dan dat bij de uitslag van de goederen is vastgesteld dat er overeenstemming bestaat tussen de goederen die zijn uitgeslagen en hetgeen op de factuur is vermeld. In voorkomend geval wordt op het AGD de plaats, het schip, het vliegtuig of het land van bestemming vermeld.
Ook wordt voor zover van toepassing vermeldt de aanwezigheid van bijvoorbeeld een bunkervergunning op basis waarvan accijnsvrijstellingsbepalingen van toepassing kunnen zijn.3 Of een afnemer met bunkervergunning metterdaad voldoet aan de gestelde vrijstellingsvoorwaarden, wordt eerst bij een onderzoek achteraf vastgesteld.
Controle achteraf is te dezen regel, gegeven het wettelijke systeem van voldoening op aangifte waaruit voortvloeit dat de belanghebbende is gehouden te voldoen aan de voorwaarden van de vrijstelling en bij controle achteraf door de douaneautoriteit corrigerend kan worden opgetreden. Een handelen van de douaneautoriteit in strijd met het vertrouwensbeginsel zal niet snel kunnen worden aangenomen, wanneer de douaneautoriteit stempels op bescheiden heeft geplaatst en de inspecteur de belanghebbende nadien een naheffingsaanslag stuurt, omdat bij controle is gebleken dat niet aan de voorwaarden is voldaan.4
Wanneer een vergunninghouder van een belastingentrepot gasolie voorzien van herkenningsmiddelen5 met bunkervrijstelling6 levert aan de eigenaar van een schip waarvan is komen vast te staan, dat die voor dat schip niet in het bezit is van een bunkervergunning 7, is reeds hierom de bunkervrijstelling ten aanzien van de uitgeslagen gasolie niet van toepassing en naheffing van de accijns bij de vergunninghouder in plaats van bij de scheepseigenaar gerechtvaardigd8, temeer wanneer de vergunninghouder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gasolie is aangewend voor de aandrijving van schepen of als scheepsbehoeften aan boord van schepen en er derhalve van moet worden uitgegaan dat de gasolie voor andere doeleinden is gebruikt en de vergunninghouder uit dien hoofde accijns verschuldigd is ter zake van de uitslag.9