Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.7.29
4.7.29 Constatering van een tekort
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS301740:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Art. 14 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Onverminderd art. 20 Accijnsrichtlijn.
Art. 6 en 14 lid 3 Accijnsrichtlijn. Art. 21 lid 1 Richtlijn energiebelastingen.
Art. 14 lid 1 eerste volzin Accijnsrichtlijn. Vgl. conclusie A-G Overgaauw van 27 november 2003 voor HR 26 november 2004, nr. 38.565, Heintz van Landewyck (verdwijning van tabaksaccijnszegels vóór gebruik), LJN AO3043, r.o. 3.5.4.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 62.
Art. 14 lid 1 eerste volzin Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 18 december 2007, nr. C-314/06, Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR) vs. Administration des douanes et droits indirects Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED) (minerale oliën – verliezen – vrijstelling van rechten – overmacht), r.o. 40.
Hof Amsterdam 14 februari 2003, nr. 00/90110, LJN AP1680.
Art. 71 lid 1 onderdeel a Wa. Art. 28 lid 1 UB Accijns.
Hof ’s-Hertogenbosch 24 september 2002, nr. 93/03004, LJN AE9614, r.o. 4.3.
Art. 28 lid 2 UB Accijns.
Art. 34 UR Accijns. Het verzoek om teruggaaf wegens verloren gegane accijnsgoederen moet binnen één maand na de dag van het verloren gaan worden ingediend bij de inspecteur in wiens ambtsgebied de belanghebbende woont of is gevestigd. Het verzoek dient de volgende gegevens te bevatten (1) de soort en de hoeveelheid van de accijnsgoederen alsmede de waarde ervan of de andere voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens (2) het tijdstip, de plaats en de oorzaak van het verloren gaan, dan wel de vermelding van de ambtelijke verklaring van de vernietiging, (3) wanneer mededeling is gedaan van het verloren gaan, en (4) de soort en de hoeveelheid alsmede de waarde van de restanten van verloren gegane goederen en andere van belang zijnde gegevens.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 68-69.
Art. 14 lid 1 Accijnsrichtlijn.
Art. 14 Accijnsrichtlijn. Art. 88 lid 1 Wa.
Art. 88 lid 2 Wa. Op basis van art. 80 lid 1 onderdeel a Wa zijn bij art. 34 UR Accijns regels gesteld met betrekking tot accijnsgoederen die zijn verloren gegaan door bijzondere omstandigheden of worden vernietigd onder ambtelijk toezicht. Art. 88 lid 3 Wa.
Art. 14 lid 2 Accijnsrichtlijn.
Zie bijvoorbeeld: HvJ EG 9 november 1983, nr. 199/82, Administratie van de Staatsfinanciën vs. SpA San Giorgio, Jur. 1983, p. 3595.
Art. 14 lid 1 eerste volzin Accijnsrichtlijn.
Art. 14 lid 1 tweede volzin Accijnsrichtlijn.
Art. 14 lid 3 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 18 december 2007, nr. C-314/06, Société Pipeline Méditerranée et Rhône (SPMR) vs. Administration des douanes et droits indirects Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (DNRED) (minerale oliën – verliezen – vrijstelling van rechten – overmacht), r.o. 42-44.
Art. 6 lid 1 en art. 14 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Art. 25 Structuurrichtlijn alcoholhoudende dranken.
Art. 23 Richtlijn energiebelastingen.
De vernietiging van accijnsgoederen binnen de AGP is geregeld in art. 88 Wa.
Art. 29 jo. art. 28 UB Accijns. Art. 71 lid 1 onderdeel b Wa.
Art. 34 lid 2 onderdeel b UR Accijns.
Hof ’s-Gravenhage 28 januari 2005, nr. 03/03542, LJN AS6702. Het verzoek om teruggaaf wegens onder ambtelijk toezicht vernietigde accijnsgoederen moet binnen één maand na de dag van de vernietiging worden ingediend bij de inspecteur in wiens ambtsgebied de belanghebbende woont of is gevestigd. Art. 34 UR Accijns. Het verzoek dient de volgende gegevens te bevatten (1) de soort en de hoeveelheid van de accijnsgoederen alsmede de waarde ervan of de andere voor de vaststelling van het bedrag van de teruggaaf van belang zijnde gegevens (2) het tijdstip, de plaats en de oorzaak van het verloren gaan, dan wel de vermelding van de ambtelijke verklaring van de vernietiging, (3) wanneer mededeling is gedaan van het verloren gaan, en (4) de soort en de hoeveelheid alsmede de waarde van de restanten van verloren gegane goederen en andere van belang zijnde gegevens.
Art. 88 lid 1 slotzin Wa.
Als bedoeld in art. 14 lid 1 Accijnsrichtlijn.
Als bedoeld in art. 14 lid 3 Accijnsrichtlijn.
HR 5 september 2003, nr. 37.685, FED 2003/463, BNB 2003/319.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 68-69.
HvJ EG 5 oktober 1983, nrs. 186/82 en 187/82, Ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de minister ad interim, vs. Esercizio Magazzini Generali SpA, in liquidatie, en Mellina Agosta SRL, beide te Catania (inzake de uitlegging van het begrip ‘overmacht’ in het douanerecht), Jur. 1983, p. 2951, r.o. 14.
Hof Amsterdam 27 mei 2002, nr. 01/2460, LJN AE3888, r.o. 5.3.
Zie bijvoorbeeld: Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2000, nr. 98/04190, LJN AA6626.
HR 29 november 2000, nr. 35.785, BNB 2001/39, r.o. 4.2.
Als bedoeld in art. 14 Accijnsrichtlijn of art. 88 lid 3 Wa.
Hof Arnhem 17 december 1997, nr. 96/1107, LJN AA4897, r.o. 6.3.2.
HvJ EG 14 juli 2005, nr. C-435/03, British American Tobacco International Ltd, Newman Shipping &Agency Company NV vs. België, Jur. 2005, p. I-7077, r.o. 36-42.
Art. 51 lid 1 Wa.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 69. Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, p. 43-44. Kamerstukken II 1990/91, 21 368, nr. 11, p. 15. Bij wet van 24 december 1992, Stb. 1992, 711, is de Wa aangepast aan de Accijnsrichtlijn. Art. 88 lid 1 slotzin Wa is daarbij ongewijzigd gelaten. De bepalingen en de totstandkomingsgeschiedenis van de aanpassingswet geven geen aanleiding om te veronderstellen dat de wetgever door de wijzigingen die daarbij op andere punten in de wet zijn aangebracht, de hiervoor bedoelde functie van art. 88 lid 1 slotzin heeft willen veranderen.Een wijziging van die functie kan ook niet worden afgeleid uit het bij die aanpassingswet in de Wa opnemen van art. 2f, waarin als uitslag onder meer mede wordt aangemerkt het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wa in de heffing is betrokken, aangezien deze bepaling blijkens die wetsgeschiedenis de voortzetting is van een bepaling die oorspronkelijk in art. 87 lid 1 Wa was opgenomen.
Als bedoeld in art. 20 lid 2 slotzin AWR.
HR 5 september 2003, nr. 37.685, FED 2003/463, BNB 2003/319. Vgl. Hof Amsterdam 27 mei 2002, nr. 01/2460, LJN AE3888, en nr. 01/2461, LJN AE3890, dat van opvatting is, dat ‘mogelijk ook accijns kan worden geheven van degene die de sigaretten heeft ontvreemd en deze nadien voorhanden heeft (art. 2f in verbinding met art. 51a van de Wet)’ (r.o. 5.2), maar dat het feit dat te weinig belasting is geheven niet het gevolg van het niet-naleven van art. 73 Wa door de dief (r.o. 5.4).
Conclusie A-G Ilsink voor HR 5 september 2003, nr. 37.685, FED 2003/463, BNB 2003/319, r.o. 3.2.1.
Conform art. 2f jo. art. 51a Wa.
Art. 68 Wa.
Art. 23 UB Accijns.
HR 23 december 1998, nr. 34.000, FED 1999/68, BNB 1999/126.
Zie voor de oorspronkelijke versie van art. 88 Wa: Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nrs. 1-2, p. 19 (art. 89).
Voor het onderscheid tussen ‘blijken’ en ‘aannemelijk maken’ zij verwezen naar HR 26 mei 1999, nr. 34.230, BNB 1999/272.
Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p. 68 (art.sgewijs commentaar op art. 89). Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 7, p. 6. Par. 3.6 LA dat handelt over de omvang van de bewijslast vraagt meer van een belanghebbende dan waartoe hij op grond van art. 88 Wa gehouden is.
De in art. 14 lid 1 Accijnsrichtlijn bedoelde omstandigheden.
HR 21 augustus 1991, nr. 25.263, BNB 1992/1, r.o. 3.4.
Art. 88 lid 4 Wa.
Als bedoeld in art. 14 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Als bedoeld in art. 14 lid 1 Accijnsrichtlijn.
Art. 88 lid 2 Wa.
Art. 57 UR Accijns.
Zie bijvoorbeeld: HR 7 maart 2003, nr. 34.332, V-N 2003/16.26, inzake Liberexim BV (HvJ EG 11 juli 2002, nr. C-371/99, Liberexim BV vs. Staatssecretaris, Jur. 2002, p. I-06227, V-N 2003/2.28, BNB 2003/158, m.nt. Bijl). Nadat het HvJ EG de HR antwoord had gegeven op de vragen inzake de onttrekking aan het douaneverband bleek Liberexim op basis van de uitleg van douaneregels niet hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelastingschuld vanwege de onttrekking in Nederland.
HR 29 maart 2000, nr. 34.699, BNB 2000/342c, FED 2000/306. Hof Amsterdam 28 juli 1998, nr. 97/0791, V-N 1999/17.1.8.
Art. 95 lid 2 Wa.
Vgl. HR 26 november 2004, nr. 38.565, Heintz van Landewyck (verdwijning van tabaksaccijnszegels vóór gebruik), LJN AO3043, r.o. 3.3.5 en 3.3.13.
Art. 28 Wet OB 1968. De regeling als vervat in art. 28 Wet OB 1968 is in overeenstemming met art. 395 BTW-richtlijn. HR 22 mei 1991, BNB 1992/91. HR 29 maart 2000, nr. 34.699, BNB 2000/342c, FED 2000/306, r.o. 5.5.
De lidstaten kunnen herziening van de omzetbelasting eisen ingeval van diefstal. Nederland heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Art. 185 lid 2 BTW-richtlijn.
Geconstateerde tekorten zijn alleen dan belastbaar en de erkende entrepothouder is alleen dan daarvoor aansprakelijk, wanneer de geconstateerde verliezen van accijnsgoederen niet zijn te wijten aan toevallige omstandigheden of aan gevallen van overmacht.1 Voor andere geconstateerde tekorten of verliezen van accijnsgoederen, is accijns verschuldigd2 volgens de tarieven die in de desbetreffende lidstaat van kracht zijn op het ogenblik dat de verliezen of tekorten worden vastgesteld.3
4.7.29.1 Teloorgaan
Dit alles geldt niet voor verschillen die ontstaan door het teloor gaan van accijnsgoederen door bijzondere omstandigheden of vernietiging onder ambtelijk toezicht. Teloor gaan van accijnsgoederen is niet hetzelfde als het verlies daarvan. Van teloorgaan kan eerst worden gesproken indien er in objectieve zin geen mogelijkheid meer bestaat om de betreffende goederen overeenkomstig de normale bestemming te gebruiken: het door overmacht of ongeval onbruikbaar worden, beschadigd, verontreinigd, bedorven of kwijtraken van accijnsgoederen.4 Zo kan bijvoorbeeld een bierbinnenschip tijdens de vaart bij averij oplopen, een vrachtauto tijdens het transport van gedistilleerde dranken kantelen waardoor de lading dranken geheel of gedeeltelijk verloren gaat of een oliepijpleiding na lekkage gaan barsten waardoor minerale oliën verloren gaan. Ook kan een hoeveelheid door de producent wegens bederf teruggenomen goederen onder ambtelijk toezicht worden vernietigd.5 Het begrip overmacht, zoals gezegd, een communautair begrip6, heeft volgens het HvJ EG in het arrest-Société Pipeline Méditerranée et Rhône (2007) betrekking op abnormale en onvoorziene omstandigheden die zich buiten toedoen van de vergunninghouder hebben voorgedaan en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. De voorwaarde dat de omstandigheden zich buiten toedoen van de vergunninghouder hebben voorgedaan, heeft niet alleen betrekking op omstandigheden die zich buiten hem hebben voorgedaan in materiële of fysieke zin, maar ook op omstandigheden die objectief lijken te ontsnappen aan de controle van de erkende entrepothouder of buiten de verantwoordelijkheidssfeer van deze laatste zijn gesitueerd.7
Door middel van weging onder ambtelijk toezicht zijn verschillen geconstateerd tussen de hoeveelheid ethylalcohol in de tankauto op de plaats van vertrek (31.kilogram) en de hoeveelheid op de plaats van aankomst van de goederen (31.080 kilogram). De tank was na belading en weging onder douanetoezicht direct verzegeld met douaneloodjes, die ook bij aankomst van de goederen nog intact waren. Het douanekantoor van bestemming heeft het vijfde exemplaar van het document T1 gezonden aan het douanekantoor van vertrek onder vermelding dat bij aankomst 280 kilogram ethylalcohol minder is aangetroffen dan op het document is vermeld. Niet duidelijk is welk handelen of nalaten de oorzaak is van het verschil. Bij dit soort goederen is nationaal een speling van 0,5 percent toegestaan.
Dergelijke geringe tekorten ontstaan door verdamping van het product. Bij vertrek en bij aankomst is dezelfde tankauto gewogen. Mocht er verschil in tarra zijn dan worden deze gecorrigeerd, maar dat was in deze zaak niet aan de orde. De aangebrachte douaneverzegelingen hebben niet zozeer betekenis een onttrekking te voorkomen, maar zijn met name van belang voor de vaststelling van de identiteit van de goederen. In dit zeer bijzondere geval, waarbij de oorzaak van het ontstane verschil tussen de twee ambtelijke wegingen niet kan worden vastgesteld, maar waarbij belanghebbende en de douane niettemin voorbeeldig met elkaar hebben samengewerkt en overigens geen enkele laakbare gedraging van belanghebbende is gesteld of gebleken, kan niet worden geconcludeerd dat tijdens het verblijf van de goederen onder de douaneregeling communautair douanevervoer een schuld in de zin van het CDW, de Wa en de Wet OB 1968 is ontstaan. Uit een en ander volgt dat de heffing en de boete niet in stand kunnen blijven.8
Teruggaaf van accijns wordt uitsluitend verleend voor accijnsgoederen die zijn verloren gegaan, mits het verloren gaan van de accijnsgoederen te wijten is aan overmacht of ongeval, de belanghebbende daarvan onverwijld nadat is geconstateerd dat de goederen verloren zijn gegaan, melding maakt bij de inspecteur en indien de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren. Daardoor is teruggaaf alleen mogelijk aan ondernemers. Van de goederen moet een voorraadadministratie zijn bijgehouden.9
Worden de goederen eerst uit het oog verloren na de aflevering bij de afnemer op de plaats van bestemming, dan behoren die goederen niet meer tot de bedrijfsvoorraad van de leverancier en heeft deze geen recht op teruggaaf.10
De soort, de hoeveelheid en de voor de berekening van de teruggaaf van belang zijnde samenstelling van de accijnsgoederen die zijn verloren gegaan, alsmede het tijdstip waarop en de oorzaak waardoor de accijnsgoederen verloren zijn gegaan, moeten worden aangetoond.11 In de eerste plaats kan dit aantonen gebeuren aan de hand van boeken en bescheiden. Daarnaast kan worden verlangd foto’s van de gebeurtenis, een politieel proces-verbaal of de restanten van de verpakkingen over te leggen.12
4.7.29.2 Verliezen
Verliezen van accijnsgoederen binnen het belastingentrepot of tijdens het vervoer van die goederen onder begeleiding van een AGD, leiden niet tot accijnsheffing, indien en voor zover die verliezen aangetoond kunnen worden als verliezen bij de vervaardiging, tijdens het vervoer of tijdens de opslag van accijnsgoederen die niet in de verbruikssfeer zijn gekomen. Gedacht kan worden aan calamiteiten in het belastingentrepot zoals brand of waterschade. Ontstaat verlies ten gevolge van een calamiteit, dan zal de vergunninghouder van het belastingentrepot steeds de inspecteur moeten waarschuwen. Lek- en bottelverliezen, verdamping, breuk en dergelijke worden geacht in de normale verliespercentages te zijn begrepen.13 In die gevallen vervalt de mogelijkheid om de goederen nog te verbruiken en ligt de heffing van accijns, een verbruiksbelasting, niet meer in de rede. Daarom zijn verliezen die zijn te wijten aan toevallige omstandigheden, aan overmacht of aan de aard van de goederen onder voorwaarden vrijgesteld.14
Dit laat onverlet dat verliezen die optreden bij de vervaardiging of de opslag van accijnsgoederen door de vergunninghouder van het belastingentrepot steeds moeten worden aangetoond. Dat wil niet zeggen dat het optreden van deze verliezen steeds exact door middel van een fysieke meting aantoonbaar moeten zijn. Het ligt in de rede dat de gangbare verliespercentages binnen het bedrijf van de vergunninghouder als basis dienen.
Tijdens intracommunautair vervoer van onveraccijnsde accijnsgoederen is de vergunninghouder van het belastingentrepot van vertrek aansprakelijk voor de gevolgen van onregelmatigheden en overtredingen tijdens het vervoer. Hij is gehouden daarvoor zekerheid te stellen. Het betreft een risicoaansprakelijkheid die ook kan worden ingeroepen indien hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Indien en voor zover de vergunninghouder de verliezen niet kan aantonen, worden de vermiste goederen aangemerkt als te zijn uitgeslagen en wordt de accijns daarvan verschuldigd.15 Verliezen tijdens het vervoer van accijnsgoederen die door de vergunninghouder van een belastingentrepot, een GB of van een NGB niet kunnen worden aangetoond, worden eveneens aangemerkt als te zijn uitgeslagen.16 Verliezen tijdens intracommunautair vervoer moeten worden geconstateerd volgens de regels van de lidstaat van bestemming.17 Het staat de lidstaat van bestemming niet vrij het geven van dergelijke regels achterwege te laten of daarin een zodanig zware bewijslast te hanteren dat daardoor het nuttig effect aan de vrijstellingsregeling wordt ontnomen, hetgeen strijdig is met de gemeenschapstrouw.18
Bij een beroep op de vrijstelling wegens een tekort of verlies door toevallige omstandigheden of overmacht19 of ‘verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten’20, ligt de bewijslast bij de belanghebbende, waarbij de inspecteur kan volstaan met het beoordelen van het verzoek van belanghebbende om vrijstelling wegens het tekort of verlies.21 Volgens het HvJ EG in zijn arrest-Société Pipeline Méditerranée et Rhône (2007) kan een verlies van het deel van een uit een oliepijpleiding gelopen hoeveelheid minerale oliën dat is te wijten aan de vloeibare toestand van olieproducten en aan de eigenschappen van de bodem waarin zij zijn terecht gekomen, waardoor dit deel niet kon worden teruggewonnen, niet worden beschouwd als ‘verliezen die inherent zijn aan de aard van de producten’. De vrijstelling geldt slechts voor bepaalde, limitatief genoemde handelingen, te weten opslag en transport, en kan daarom niet worden uitgebreid naar verliezen die aan een ongeval te wijten zijn. Evenmin kunnende begrippen toevallige omstandigheden en overmacht niet zo ruim worden uitgelegd dat zij situaties dekken die niet onder opslag en transport vallen.22
Eerst wanneer de belanghebbende er niet in is geslaagd aan te tonen dat een tekort of verlies niet te wijten is aan een toevallige omstandigheid, overmacht of aan de aard van de goederen en hij daardoor niet in de vrijstelling kan delen, wordt het tekort of verlies in de heffing betrokken volgens de tarieven die in de betrokken lidstaat van kracht zijn op het ogenblik waarop de tekorten of verliezen, die naar behoren moeten zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteit, zich hebben voorgedaan of, in voorkomend geval, op het ogenblik van de vaststelling van de tekorten.23
Teruggaaf van accijns mag worden verleend met betrekking tot alcoholhoudende dranken die uit de markt zijn genomen als zij wegens hun staat of ouderdom ongeschikt zijn voor menselijke consumptie.24
Voor verontreinigde of bij toeval vermengde energieproducten die ter verwerking in een belastingentrepot worden aangeboden, kunnen de lidstaten van verkrijging de reeds voldane accijnzen teruggeven.25
4.7.29.3 Vernietiging
Teruggaaf van accijns voor accijnsgoederen die buiten een belastingentrepot26 onder ambtelijk toezicht zijn vernietigd, wordt verleend op voorwaarde dat de goederen tot een bedrijfsvoorraad behoren.27 Van belang voor de toekenning van de teruggaaf zijn:
de soort, de hoeveelheid en de samenstelling van de accijnsgoederen. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een producent of tussenhandelaar niet meer voor consumptie geschikte producten terugneemt en vernietigt, of een detailhandelaar onverkoopbare goederen zelf wil vernietigen. Van dit voornemen tot vernietiging moet melding worden gedaan bij de fiscale autoriteit. Deze stelt een ambtelijke verklaring op omtrent de vernietiging.28 Dit betekent dat eerst met de vernietiging kan worden aangevangen nadat de inspecteur daarvoor toestemming heeft verleend. Geen teruggaaf van accijns vindt dus plaats wanneer het accijnsgoed niet is vernietigd, maar is gebruikt als substituutbrandstof voor verwarming bij het reinigen van producten.29
4.7.29.4 Vermis en diefstal
Accijnsgoederen die worden vermist, al dan niet ten gevolge van diefstal, worden eveneens geacht te zijn uitgeslagen. Vermissing of diefstal van accijnsgoederen wordt niet aangemerkt als verlies.30 Het in de Accijnsrichtlijn gebezigde begrip ‘onder de schorsingsregeling opgetreden en aan toevallige omstandigheden of aan gevallen van overmacht te wijten verliezen’31 heeft géén, en het tevens in de Accijnsrichtlijn gebezigde begrip ‘verliezen waarvoor de in lid 1 bedoelde vrijstellingen niet worden toegekend’32 heeft wél betrekking op een verlies van accijnsgoederen ten gevolge van diefstal.33 Bij diefstal vindt voor de heffing van accijns uitslag plaats die derhalve belast dient te worden met accijns.34 In geval van diefstal mag worden vermoed dat de goederen in het vrije verkeer zijn terechtgekomen, waaruit volgt dat het begrip verlies van goederen niet kan zien op diefstal, ongeacht de omstandigheden waaronder deze is gepleegd.35 Gestolen sigaretten zijn niet verloren gegaan, aangezien zij ook na de diefstal voor consumptief gebruik geschikt zijn gebleven en niet aannemelijk is dat de sigaretten zijn gestolen met het oogmerk die vervolgens te vernietigen.36
Onder vermis moet worden verstaan: het (onverklaarde) verschil tussen de hoeveelheid accijnsgoederen die volgens de administratie in het belastingentrepot aanwezig zou moeten zijn en de hoeveelheid accijnsgoederen die daarin feitelijk wordt aangetroffen. Aldus is vermis de hoeveelheid accijnsgoederen die zonder afdoende verklaring ontbreekt in het belastingentrepot.37 Het vermis kan onder meer worden veroorzaakt door diefstal of heimelijke uitslag, niet-geregistreerd verbruik binnen het belastingentrepot. Vermis in belastingentrepot van minerale oliën die zonder nadere bewerking niet kunnen worden gebruikt voor het wegtransport of verwarmingsdoeleinden vormt evenzeer uitslag. Mutatis mutandis geldt dit vanzelfsprekend ook voor andere accijnsgoederen. Overigens kunnen goederen die feitelijk niet zijn ingeslagen in een entrepot – ongeacht hetgeen de desbetreffende vergunning te dier zake vermeldt – ook niet worden geácht ingeslagen te zijn, wanneer de entrepotbeheerder, blijkens hetgeen hij heeft vermeld op de documenten, verklaart de goederen in zijn entrepot in te slaan. Een vermis kan zich ten aanzien van niet-ingeslagen goederen derhalve niet voordoen.38
Accijnsgoederen die zijn gestolen zijn niet teloorgegaan, maar in de verbruikssfeer terecht gekomen. Deze zijn dus, zij het niet op de juiste wijze, uitgeslagen. Bij diefstal vindt voor de accijnsheffing een belaste uitslag plaats. Diefstal van accijnsgoederen wordt niet aangemerkt als een bijzondere of toevallige omstandigheid39, tenzij de diefstal plaatsvindt op een wijze en onder omstandigheden die geen redelijk denkend mens had kunnen voorkomen. De diefstal uit een vriesveem van elf miljoen sigaretten die met enkele hangsloten waren beveiligd had kunnen worden voorkomen.40 De houder van een belastingentrepot is verantwoordelijk voor de goederen die in zijn bedrijf zijn vervaardigd en opgeslagen, en is aansprakelijk voor de accijns van die goederen. Het risico dat goederen heimelijk aan zijn toezicht worden onttrokken behoort, met inbegrip van de verschuldigde accijns, tot zijn normale ondernemersrisico. De aansprakelijkheid voor de accijns in geval van diefstal vormt van oudsher een onderdeel van de verzekerde bedrijfsrisico’s.41
Voor de btw vormt diefstal geen belastbaar feit. Diefstal van goederen is volgens het HvJ EG in het British American Tobacco en Newman Shipping-arrest (2005) geen levering van goederen onder bezwarende titel42, en kan bijgevolg als zodanig niet aan btw worden onderworpen. De omstandigheid dat het om accijnsgoederen gaat, is daartoe irrelevant.43
Uit een belastingentrepot zijn rooktabak en sigaretten gestolen. De vergunninghouder wordt een naheffingsaanslag opgelegd.44 Deze wordt aansprakelijk geacht voor de verschuldigde accijns van die goederen.45 De naheffingsaanslag kan niet op basis van de regel dat ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige te weinig belasting is geheven, aan de dief worden opgelegd46, omdat hetgeen de dief kan worden verweten niet is ‘het niet naleven van bepalingen van de belastingwet’.47 Een merkwaardige formulering, die waarschijnlijk is gebaseerd op de even merkwaardige opvatting, dat nu de dief in deze zaak niet voorhanden is, de dief reeds om die reden geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd48, maar heel wel had kunnen luiden dat de dief als feitelijkebeschikkingsmachthebber en illegaal voorhandenhebbende zou zijn aangewezen, bij wie daardoor mogelijke heffing zeker niet in de weg zou hebben gestaan naast de verschuldigdheid van de accijns door de vergunninghouder.49
4.7.29.5 Kwaliteitscontroles, onderzoek, productontwikkeling, smaaktesten
Binnen een belastingentrepot kunnen onveraccijnsde goederen worden verbruikt ten behoeve van kwaliteitscontroles, onderzoek, productontwikkeling, smaaktesten en dergelijke. Zo’n verbruik behoort niet te leiden tot verschuldigdheid van accijns, omdat deze accijnsgoederen teloor gaan. Van de aldus gebruikte accijnsgoederen wordt derhalve geen accijns geheven. Er vindt geen uitslag plaats, noch feitelijk noch als eigen verbruik. Wanneer het verbruik van accijnsgoederen voor genoemde doeleinden blijkt uit de administratie van de vergunninghouder en de omvang van dit verbruik niet onaannemelijk is, vallen zij buiten de heffing.50
Voor het gebruik van accijnsgoederen ten behoeve van kwaliteitscontroles, onderzoek, productontwikkeling, smaaktesten en dergelijke buiten een belastingentrepot bestaat een vrijstellingsregeling51, waarvoor een vergunning nodig is.52 Het verbruik van accijnsgoederen voor onderzoek, testen en dergelijke van andere goederen, zoals het verbruik van minerale oliën voor het testen van motoren, valt niet onder deze vrijstelling.
4.7.29.6 Meer- en minderbevindingen
Wanneer bij controle verschillen worden bevonden, kunnen dit meer- of minderbevindingen zijn. Minderbevindingen kunnen worden onderscheiden in verliezen (veroorzaakt door overmacht, ongeval, verdamping, aard van het productieproces, enzovoorts), tekorten (verklaarbare minderbevindingen door bijvoorbeeld afwijkingen in meetapparatuur, vertellingen, aard van het productieproces, enzovoorts) en vermissen (onverklaarbare tekorten). Meerbevindingen moeten, eventueel na saldering met corresponderende minderbevindingen, alsnog in de administratie worden opgenomen.
Geconstateerde minderbevindingen van bepaalde goederen kunnen niet worden gecompenseerd met meerbevindingen van andere goederen in die zin, dat pas van uitslag sprake is, indien en voor zover de hoeveelheid van de vermiste goederen groter is dan de hoeveelheid van de meerbevonden goederen. Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, ligt het voor de hand dat alle accijnsgoederen, voor zover aan hetzelfde accijnstarief onderworpen, in de vergelijking worden betrokken. Van een belanghebbende die onbetwist een deugdelijke administratie heeft gevoerd kan niet worden verlangd dat hij de oorzaken van de verschillen aangeeft, nu het bij vermis altijd gaat om verschillen die uitsluitend volgen uit die administratie en niet verklaarbaar zijn. Het aanvaarden van saldering heeft, bij het bestaan van een deugdelijke administratie, tot gevolg dat dubbele heffing van accijns in gevallen als deze wordt voorkomen. Uit een en ander volgt dat een redelijke toepassing van het heffingsregime meebrengt dat saldering geoorloofd is.53
4.7.29.7 Aantonen en aannemelijk maken
Met betrekking tot de begrippen verlies en vermis, staat ‘aantonen‘ gelijk met ‘aannemelijk maken’. De oorspronkelijke tekst in het wetsvoorstel54 bevat het begrip ‘blijken’, maar uiteindelijk is dat begrip gewijzigd in ‘aantonen‘.55 Tijdens de parlementaire behandeling is bij herhaling gesproken van ‘aannemelijk maken’.56 Een belanghebbende kan dus volstaan met het aannemelijk maken dat de geconstateerde aanvoerverschillen, tekorten of administratieve verschillen hun oorzaak vinden in een toevallige omstandigheid, overmacht, de aard van het product of de wijze van vervoer 57, zoals administratieve vergissingen, zodat in feite geen tekort aanwezig blijkt te zijn, tekorten die worden veroorzaakt door eigenschappen die inherent zijn aan de betrokken producten, of omstandigheden die inherent zijn aan de wijze waarop die producten worden aangevoerd en ingeslagen. Het douanerecht kent van oudsher een tolerantie van 10% op hoeveelheden bulkgoederen, mits sprake is van dwaling of onwillekeurig verzuim van de aangever.58
De aanvaardbaarheid van gegevens wordt veelal getoetst aan vergelijkende branchegegevens en ervaringscijfers. Als de inspecteur het om hem bekende redenen, bijvoorbeeld op grond van die branchegegevens en ervaringscijfers, niet meer aannemelijk acht dat bij de vervaardiging of de opslag verliezen zijn opgetreden tot de hoogte als is opgegeven, kan hij overgaan tot naheffing.
4.7.29.8 Meldingsplicht
De gevolgen van verlies en vermissing treden ook in met betrekking tot verliezen en vermissing van accijnsgoederen die onder een communautaire douaneregeling zijn geplaatst dan wel zijn opgeslagen in een plaats voor tijdelijke opslag. De goederen worden aangemerkt als te zijn ingevoerd.59 De accijnsheffing vindt in die gevallen plaats met toepassing van de DW.
De bevoegde autoriteiten dienen op het terugzendexemplaar van het AGD aantekening te maken van tekorten60 en van verliezen die niet zijn vrijgesteld.61 Het gaat daarbij onder meer om andere verliezen dan die welke als gevolg van overmacht en ongeval zijn opgetreden en om andere verliezen dan die welke inherent zijn aan de aard van de goederen. De vergunninghouder van een belastingentrepot doet van het verloren gaan van de accijnsgoederen in zijn belastingentrepot ten gevolge van ongeval of overmacht onverwijld mededeling aan de inspecteur onder opgaaf van het tijdstip en de oorzaak van het verloren gaan, ook tijdens het overbrengen van accijnsgoederen waarvan de accijns nog niet is geheven. De vergunninghouder van een GB of van een NGB doet van het verloren gaan van accijnsgoederen tijdens het vervoer ten gevolge van ongeval of overmacht onverwijld mededeling aan de inspecteur onder opgaaf van het tijdstip en de oorzaak van het verloren gaan. Verliezen tijdens het vervoer die niet kunnen worden aangetoond, worden aangemerkt als te zijn uitgeslagen. Accijnsgoederen die worden vermist, worden eveneens aangemerkt als te zijn uitgeslagen.62
Van een voorgenomen vernietiging van in een belastingentrepot voorhanden zijnde accijnsgoederen die onbruikbaar of onverkoopbaar zijn geworden, wordt uiterlijk twee werkdagen voor de voorgenomen vernietiging door de vergunninghouder van het belastingentrepot mededeling gedaan aan de inspecteur, onder vermelding van het tijdstip waarop de vernietiging zal plaatsvinden.63
4.7.29.9 Accijns en omzetbelasting tabaksproducten
Ten aanzien van tabaksproducten wordt naast de accijns eveneens omzetbelasting verschuldigd. Zowel bij de omzetbelasting bij invoer als bij de omzetbelasting met betrekking tot tabaksproducten spelen naast de bepalingen inzake de omzetbelasting de bepalingen inzake invoer respectievelijk accijns een rol. In dit soort zaken worden eerst laatstgenoemde bepalingen toegepast alvorens aan die inzake de heffing van omzetbelasting wordt toegekomen.64 De belastbare feiten voor de omzetbelasting kunnen echter niet worden bepaald met toepassing van de voor de accijns geldende regels.65 De omzetbelasting op tabaksproducten wordt geheven als accijns.
De voorschriften waaronder dit moet gebeuren vormen een van de gewone regels afwijkende regeling omtrent de wijze van heffing van die belasting, aanknopend bij het tijdstip en de maatstaf van de accijnsheffing, waardoor slechts éénmaal een belastbare levering kan worden geconstateerd, zodra sprake is van uitslag van de tabaksproducten.
De omzetbelasting wordt eenmalig geheven; zij wordt voorts – behoudens ingeval van ongeoorloofd voorhanden hebben – bij geen enkele volgende transactie in het handelsverkeer meer geheven en vindt in geen enkele handelsfase aftrek van het bedrag van de belasting plaats. Wel is de omzetbelasting in de meeste gevallen strikt evenredig aan de kleinhandelsprijs van de tabaksproducten. Hierop bestaan echter uitzonderingen, zoals de gevallen waarin de producten in de tussenhandel of in de kleinhandel onverkocht blijven of verloren gaan, alsmede het geval waarin de kleinhandelaar in weerwil van het verbod tabaksproducten aan anderen dan wederverkopers te leveren voor een andere prijs dan de op het zegel afgedrukte prijs66 toch tabaksproducten verkoopt voor een andere dan de vastgestelde kleinhandelsprijs.67
Het voorschrift dat de heffing van omzetbelasting ter zake van de levering van tabaksproducten geschiedt met overeenkomstige toepassing van de voor de accijns geldende regels, heeft niet tot gevolg dat het begrip levering een andere inhoud heeft gekregen in die zin, dat het in dit verband moet worden opgevat als uitslag, maar heeft slechts tot gevolg dat de belastingplichtige de ter zake van die levering te heffen belasting verschuldigd wordt, zodra sprake is van uitslag. Dit sluit geen uitbreiding van het belastbaar feit van de omzetbelasting in.68 Voor de omzetbelasting echter gaat bij ontvreemding van tabaksproducten het recht op aftrek van voorbelasting niet verloren indien de goederen worden ontvreemd. Nederland herziet de heffing van de omzetbelasting bij diefstal niet.69