Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.7.18
4.7.18 Cercle des amis du vin
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS298064:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2002, nr. 98/05596, Infobulletin 2003/766 heeft beslist dat sprake is van persoonlijk verbruik.
Vgl. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 48.
HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 33 en 37.
HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075, r.o. 49. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 48-49.
Art. 6 Accijnsrichtlijn. HR 7 januari 2005, nr. 39.536, LJN AQ0526, r.o. 5.3. Conclusie A-G Jacobs van 1 december 2005 voor HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075, PB 19 maart 2005, nr. C 69/13.
Art. 8 Accijnsrichtlijn en bij afleiding art. 9 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Art. 8 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075, r.o. 35.
Art. 8 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075, r.o. 37 en 47. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 33.
Als bedoeld in art. 9 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Zie voor atypische vervoersbewegingen de betreffende paragraaf verderop.
Zoals van art. 9 lid 3 en art. 10 lid 1 Accijnsrichtlijn.
Art. 9 lid 2 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075, r.o. 43-44.
Vgl. HvJ EG 2 april 1998, nr. C-296/95, The Queen and Commissioners of Customs and Excise vs. EMU Tabac SARL, The Man in Black Ltd, J. Cunningham, in tegenwoordigheid van Imperial Tobacco Ltd. (voorhanden hebben, lidstaat waar accijns verschuldigd is, aankoop via vertegenwoordiger), Jur. 1998, p. I-1605, r.o. 52.
Art. 7 lid 2 Accijnsrichtlijn.
Art. 7 lid 6 jo. art. 22 derde lid Accijnsrichtlijn.
Art. 7 lid 1 en lid 2 Accijnsrichtlijn.
Art. 9 lid 1 Accijnsrichtlijn.
HvJ EG 23 november 2006, nr. C-5/05, staatssecretaris vs. B.F. Joustra, Jur. 2006, p. I-11075, r.o. 51-53.
De vraag is of sprake is van persoonlijk verbruik door de leden van een kring van wijnliefhebbers, ingeval zij voor zichzelf en voor de overige kringleden in een van de befaamde wijnproducerende lidstaten aldaar uitgeslagen en derhalve veraccijnsde wijnen voor hun rekening en risico door een transportondernemer over laat brengen naar de lidstaat waar de verenigingsleden wonen.1 Een kring van ongeveer 70 particuliere wijnliefhebbers heeft op eigen initiatief en voor eigen rekening en risico binnen de normhoeveelheden in Frankrijk 1.368 liter rode en witte wijn en 144 liter mousserende wijn aangekocht en die door een derde, een Nederlands transportbedrijf, doen overbrengen van Frankrijk naar Nederland.2 De kringleden hebben de wijn dus niet persoonlijk vanuit Frankrijk naar hun woonplaats overgebracht. In Nederland is de wijn onderling binnen de normhoeveelheden voor eigen verbruik onder de leden gedistribueerd. De kring van wijnliefhebbers streeft geen handelsdoeleinden na, en Joustra, het vriendenkringlid dat het transport van de wijn regisseerde, verrichtte deze activiteit niet bedrijfsmatig of met winstoogmerk.
In het arrest-The Man in Black (1998) is beslist dat als het accijnsgoed niet door de natuurlijke persoon zelf, maar door een bedrijfsmatig handelend vertegenwoordiger wordt gekocht of vervoerd geen sprake is van persoonlijk verbruik, zodat zich verkopen op afstand voorzoen waardoor de goederen dan belast zijn in de lidstaat van bestemming.3 Niet alleen was het vervoer van de accijnsgoederen verricht door een beroepsvervoerder, maar ook was de levering van de accijnsgoederen door de verkoper voor rekening van de koper georganiseerd. In de Joustra-zaak gaat het echter om een koper die niet bedrijfsmatig handelt en zelf het vervoer organiseert. Omdat het initiatief voor het vervoer niet is uitgegaan van de verkoper, maar van de particulier (Joustra) die de accijnsgoederen heeft verkregen, is in deze zaak geen sprake van verkoop op afstand, zoals in de zaak-The Man in Black, maar van aankoop op afstand.4
Met betrekking tot de handelwijze van Joustra heeft de Hoge Raad het HvJ EG prejudiciële vragen gesteld (2005) over de uitleg van het begrip commerciële doeleinden (handelsdoeleinden) om er zo achter te komen of Joustra, die het vervoer van de wijn had geregisseerd, de wijn van zijn mede-kringleden al dan niet moet worden geacht voor handelsdoeleinden voorhanden te hebben gehad.5 Gelijk in de kwestie-The Man in Black is het ten aanzien van Joustra ook de rechtsvraag of diens handelwijze onder de toepassing van het internemarktbeginsel kan vallen, zodat de wijnaccijns in Frankrijk en niet in Nederland verschuldigd is.
Blijkens de vijfde overweging van de considerans van de Accijnsrichtlijn ‘dat over door particulieren voor eigen gebruik verkregen en door hen zelf vervoerde accijnsprodukten belasting moet worden geheven in de Lid-Staat van verkrijging’, heeft de gemeenschapswetgever beoogd de begrippen ‘particulieren’ en ‘eigen verbruik’ met zorg te definiëren en tegelijkertijd de werkingssfeer ervan te preciseren en af te bakenen van het verwerven en voorhanden hebben van accijnsgoederen voor handelsdoeleinden.
De Accijnsrichtlijn maakt duidelijke onderscheiden tussen transacties waarbij enkel particulieren betrokken kunnen zijn en transacties die wegens de tussenkomst van marktdeelnemers een commercieel karakter hebben. Artikel 8 en artikel 9, derde lid, van de Accijnsrichtlijn hebben het uitdrukkelijk over ‘particulieren’ en beklemtonen dat hun transacties een louter persoonlijk karakter hebben, en geen handels- of beroepskarakter, gelijk het onderscheid consumptieve en productieve bestedingen.6
Volgens het HvJ EG in het Joustra-arrest (2006) blijkt duidelijk uit de formulering ‘door particulieren voor eigen behoefte verkregen’7, dat de accijnsgoederen bestemd moeten zijn voor eigen verbruik door de particulier die ze heeft verkregen, zodat accijnsgoederen die een particulier voor verbruik door andere particulieren heeft verkregen zijn uitgesloten. Het voorhanden houden van deze laatste goederen kan niet worden geacht een strikt persoonlijk karakter te hebben voor de particulier die ze heeft verkregen.8 Blijkens de gebruikte termen ‘door hen zelf vervoerde’9 is geen vervoer door anderen voor rekening van de particulier geoorloofd. Vereist is dat de particulier die de betrokken accijnsgoederen heeft verkregen, deze persoonlijk heeft vervoerd, dat wil zeggen dat de particulier, gelijk het AGD, de goederen begeleidt en vergezelt.10 In een andere bepaling in de Accijnsrichtlijn die particulieren van handelsdoeleinden scheidt – de bepaling inzake het atypisch vervoer door particulieren van minerale oliën – wordt de formulering ‘door particulieren of voor hun rekening’11
gebezigd, waarmee vervoer door anderen voor rekening van de particulier in gebruikelijke kleinhandelsverpakkingen wel is toegestaan, doch welke niet van voor particulieren ongebruikelijke (‘atypische’) omvang mag zijn.12 Wat alcoholhoudende dranken en tabaksproduct betreft sluit het begrip particulier en het vereiste van het persoonlijk vervoeren de inschakeling van derden dus uit. Waar de gemeenschapswetgever in de Accijnsrichtlijn de mogelijkheid van tussenkomst van een derde voor ogen heeft gestaan, heeft hij dit uitdrukkelijk aangegeven door middel van een specifieke redactie.13 De particuliere wijnkoper moet zijn buitenlandse wijn dus persoonlijk zelf en niet door een ander laten vervoeren, dat wil zeggen zélf met de goederen van de lidstaat van aankoop naar de lidstaat van verbruik meereizen.
De lidstaten moeten diverse criteria in aanmerking nemen om te bepalen of accijnsgoederen voor eigen verbruik door particulieren of voor handelsdoeleinden bestemd zijn, waaronder de hoeveelheid accijnsgoederen en de gebruikte vervoerswijze.
Daarom heeft te gelden dat wanneer niet aan het vereiste van persoonlijk vervoer wordt voldaan of sprake is van atypisch vervoer, de vervoerde en voorhanden accijnsgoederen overeenkomstig het hiervoor besproken basisbeginsel geacht moeten worden vervoerd en voorhanden te zijn voor handelsdoeleinden.14
De hoeveelheden wijn die Joustra Nederland binnenbracht gaan de eigen behoeften van een particulier duidelijk te boven, waardoor geen sprake meer kan zijn van het vereiste strikt persoonlijke karakter, en moeten daarom als voor handelsdoeleinden worden beschouwd. De inschakeling van een beroepsgoederenvervoerder bevestigt dit niet-persoonlijke voorhanden houden. Zou het vereiste van het strikt persoonlijke karakter vervallen, dan dreigt fraudegevaar omdat voor het vervoer geen document is vereist.15 Het HvJ EG beschouwt de door Joustra ingeschakelde vervoersondernemer naar analogie van het arrest-The Man in Black als een voor diens rekening tegen vergoeding handelende tussenpersoon die de wijnen van Frankrijk naar Nederland heeft overgebracht.16 Nu geen sprake is van voorhanden hebben met strikt persoonlijk karakter en dientengevolge van voorhanden hebben voor handelsdoeleinden, beschouwt het HvJ EG Joustra’s geen winst beogende activiteiten als economische activiteiten gericht op de behoeften van een bedrijf dat op onafhankelijke wijze een economische activiteit uitoefent, waarvan de intracommunautaire aankopen zijn belast in de lidstaat van vestiging ofwel bestemming17 en heeft Joustra recht op restitutie van de op de wijnen drukkende Franse wijnaccijns.18 Met zijn beslissing de Joustra-zaak af te doen met toepassing van de regeling voor door ondernemers verkregen veraccijnsde goederen19 maakt het HvJ EG de specifiek geschreven regel voor gevallen waarin het strikt persoonlijk voorhanden hebben door particulieren niet kan worden vastgesteld 20, tot een dode letter.21