Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.7.33
4.7.33 Intracommunautaire reizen
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS305310:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Voetnoten
Voetnoten
Art. 28 Accijnsrichtlijn. Zie ook: HvJ EG 11 november 1997, nr. C-408/95, Eurotunnel SA e.a. vs. SeaFrance, voorheen Société nouvelle d'armement transmanche SA (SNAT), Jur. 1997, p. I-6315.
Notitie van de EC betreffende de regels inzake btw en accijnzen die met ingang van 1 juli 1999 dienen te worden toegepast op goederen die aan boord van veerboten en vliegtuigen of in luchthavens worden verkocht van reizigers binnen de Europese Unie, nr. 1999/C 99/08, (PbEg 1999, C 99/20).
Art. 1 en 4 van Richtlijn 69/169/EEG van 28 mei 1969, (PbEg 1969, L 133/6).
Art. 7 lid 1 en lid 2 Accijnsrichtlijn.
Art. 7 lid 7 tot en met lid 9 Accijnsrichtlijn.
Art. 7 lid 1 en lid 2 Accijnsrichtlijn.
Art. 22 lid 3 Accijnsrichtlijn.
Overeenkomstig art. 7 lid 1 en lid 2 Accijnsrichtlijn.
Art. 23 lid 5 Accijnsrichtlijn.
Terra-Kajus 2005, p. 330, maken melding van een vraag gesteld aan Eurocommissaris Mario Monti over de wenselijkheid van deze vrijstelling in het licht van de toename van ordeverstoringen aan boord van veerboten en vliegtuigen. Commissaris Mario Monti heeft op die vraag geantwoord, dat de vrijstelling van alcoholhoudende dranken niet berust op een beslissing van de EC, maar een nationale bevoegdheid van de lidstaten is, zolang de Raad nog geen communautaire bepalingen over de bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen heeft aangenomen.
Tot en met 30 juni 1999 heeft een vrijstelling bestaan voor goederen die tijdens of voor een intracommunautaire reis worden verkocht en die niet voor onmiddellijk verbruik bestemd waren.1 De EC heeft aanwijzingen met praktische voorbeelden gegeven over de wijze waarop vanaf 1 juli 1999 de Accijnsrichtlijn moet worden toegepast door leveranciers van accijnsgoederen aan boord van veerboten en vliegtuigen en op luchthavens en passagiersterminals.2
Onder intracommunautaire reis wordt verstaan: de verplaatsing tussen twee havens of luchthavens zonder tussenstop in een derde land of gebied buiten het fiscale grondgebied van de Gemeenschap.3 Deze definitie geldt ook in gevallen waarin over internationale wateren of door een internationaal luchtruim moet worden gereisd.
Een tussenlanding van een veerboot of vliegtuig in een derde land of op het grondgebied buiten het fiscale grondgebied van de Gemeenschap om passagiers te laten in- of uitstappen, wordt geacht een verplaatsing te zijn naar en uit een derde land.
Goederen die aan boord van de veerboot of het vliegtuig worden gekocht en die niet voor onmiddellijk verbruik bestemd zijn, worden als uit derde landen afkomstige goederen beschouwd, tenzij van de goederen al accijns is geheven.
Bij invoer van accijnsgoederen kan de passagier aanspraak maken op toepassing van de reizigersvrijstelling.4 Deze vrijstelling geldt niet wanneer het verblijf in het derde land louter van symbolische aard is en de passagiers niet metterdaad in de gelegenheid stelt in het derde land aankopen te doen. Wanneer passagiers vanuit een derde land het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomen of opnieuw binnenkomen, moet een gepaste controle worden uitgevoerd voornamelijk met betrekking tot de fiscale status van de goederen die door de passagier worden meegebracht.
Ingeval aan boord van de betreffende veerboten of vliegtuigen geen belastingentrepots kunnen worden geplaatst, kunnen accijnsgoederen die aan boord worden genomen uitsluitend worden geacht aan de schorsingsregeling te zijn onttrokken. Veerbootrederijen en luchtvaartmaatschappijen kunnen accijnsgoederen niet in onbelaste staat vervoeren, omdat zij vanaf 1 juli 1999 niet meer voor vrijstelling in aanmerking komen. Van accijnsgoederen wordt dan accijns geheven naar het tarief van de lidstaat waar zij aan boord worden genomen, op voorwaarde dat deze lidstaat door de veerbootdienst of de luchtvaartmaatschappij wordt bediend. De goederen kunnen worden verkocht tegen het accijnstarief van de lidstaat waar zij zijn ingeladen tot op het tijdstip waarop het vervoermiddel het nationale grondgebied van de lidstaat van bestemming bereikt, ongeacht of de reis door het belastinggebied van een andere lidstaat voert, mits er geen tussenlanding of andere onderbreking is waarbij de passagiers de mogelijkheid hebben van boord te gaan. Alleen uit het feit dat de nationale wateren of het nationale luchtruim van een andere lidstaat wordt doorkruist kan niet worden geconcludeerd dat de accijnzen van die lidstaat verschuldigd worden.
Van goederen die op het grondgebied van de lidstaat van bestemming worden verkocht moet opnieuw accijns worden geheven.5 Als de rederij of luchtvaartmaatschappij accijnsheffing in die lidstaat wil vermijden, kunnen zij verklaren dat zij niet voornemens zijn de goederen op het grondgebied van die lidstaat te verkopen. In dat geval kunnen de goederen aan boord blijven zonder opnieuw te worden belast. Niettemin zijn in dit soort gevallen de toezichtsbepalingen met betrekking tot documenten en de vereisten inzake voorafgaande notificatie van toepassing, hoewel de betreffende lidstaten bilaterale overeenkomsten kunnen sluiten om een vereenvoudigde procedure mogelijk te maken.6 Rederijen en luchtvaartmaatschappijen kunnen zelf beslissen of de goederen die in de ene lidstaat aan boord zijn genomen als reeds belaste goederen op het grondgebied van een andere lidstaat te blijven verkopen. In dat geval worden zij de accijnzen van de opeenvolgende lidstaten van verkoop verschuldigd 7 en hebben zij aanspraak op teruggaaf van de reeds voldane accijnzen in de lidstaat waar de goederen aan boord zijn genomen.8
Voor multilaterale reizen met tussenlandingen in een of meer lidstaten, geldt als basisregel dat ieder reisonderdeel als een aparte reis wordt beschouwd. Indien de kapitein van een veerboot in lidstaat A goederen aan boord neemt en deze aan boord verkoopt, terwijl het schip door internationale wateren tussen de lidstaten B en C vaart, ontbreekt een rechtsgrond voor de heffing van accijnzen op deze verkopen naar het in lidstaat A geldende tarief. Omdat de goederen niet bestemd zijn om mee terug te worden genomen naar de lidstaat van vertrek, worden hiervan in lidstaat B en vervolgens in lidstaat C accijnzen geheven.9
Het accijnsregime voor goederen die aan boord van veerboten en vliegtuigen voor onmiddellijk verbruik aan passagiers worden verkocht, is vanaf 1 juli 1999 ongewijzigd gebleven. De lidstaten kunnen zelf bepalen of zij leveringen van goederen verkocht aan boord van veerboten en vliegtuigen voor onmiddellijk verbruik vrijstellen.10 Als zij dat doen, behouden de veerbootrederijen en luchtvaartmaatschappijen ook de mogelijkheid om alcoholhoudende dranken en tabaksproducten belastingvrij te vervoeren.11 De vrijstelling geldt niet wanneer de producten aan passagiers worden verkocht om te worden meegenomen, zelfs als deze goederen aan boord van de veerboot of het vliegtuig mogen of kunnen worden verbruikt.
Goederen verkocht in winkels op luchthavens en in terminals van de Kanaaltunnel zijn belast naar de accijnstarieven die gelden in de lidstaat waar die winkels zich bevinden.
Een veerbootrederij die een veerdienst tussen het VK en Frankrijk onderhoudt, zal aan accijns onderworpen goederen zoals alcoholhoudende dranken en tabaksproducten kunnen verkopen, waarbij op het traject tussen Frankrijk en het VK de Franse accijnstarieven gelden totdat het belastinggebied van het VK is bereikt. Vanaf dat ogenblik kan de rederij hetzij de verkoop van accijnsgoederen onderbreken om te voorkomen dat een ander belastingstelsel in werking treedt, hetzij de verkoop van deze goederen voortzetten naar de in het VK geldende accijnzen. Besluit de rederij de verkoop voort te zetten, dan betekent dit niet automatisch dat een dubbele prijsaanduiding is vereist. De veerbootexploitant kan één enkele prijs berekenen naargelang van de verwachte winstmarge of in de beide gedeelten van ieder traject verschillende prijzen hanteren. Op de terugreis van het VK naar Frankrijk kan de exploitant een begin maken met de verkoop van de goederen met Franse accijnstarieven, zodra de veerboot het belastinggebied van het VK heeft verlaten.
In het geval van een veerboot die tussen Duitsland, Denemarken en Zweden vaart en in elk van deze lidstaten een haven aandoet, moet ieder onderdeel van de reis als afzonderlijk deel worden beschouwd. Vanaf het vertrek uit Duitsland kunnen de goederen tegen de Duitse tarieven worden verkocht totdat het schip het belastinggebied van Denemarken binnenvaart. Goederen die binnen het Deense belastinggebied worden verkocht zijn naar de Deense accijnstarieven belast. Tijdens de reis tussen Denemarken en Zweden zal het niet mogelijk zijn om de Duitse tarieven toe te passen, zelfs niet wanneer door internationale wateren moet worden gevaren. Als de veerbootrederij in de Zweedse wateren de verkoop voortzet, zijn de in Zweden geldende tarieven van toepassing.
Een vliegtuig vliegt van Madrid naar Kopenhagen zonder tussenlandingen en doorkruist daarbij het luchtruim van Frankrijk en Duitsland. In dit geval kunnen de aan accijns onderworpen goederen die in Spanje zijn geladen en aldaar zijn belast, aan boord worden verkocht zonder dat de accijns in Frankrijk of Duitsland behoeft te worden aangepast. Tijdens de vlucht zullen de Franse of Duitse accijnstarieven niet gelden, ook al wordt het luchtruim van deze lidstaten doorkruist.
Een veerboot vaart van Stockholm naar Kaliningrad, de Russische enclave binnen de EU, waar het schip een tussenstop maakt, en vaart vervolgens door van Kaliningrad naar Helsinki. Bij aankomst in Helsinki zijn de bepalingen betreffende invoer uit derde landen en douanecontrole van toepassing. In het bijzonder zijn de kwantitatieve beperkingen van de reizigersvrijstelling van toepassing op alle aan boord gekochte goederen.