Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.2
8.4.2 Intrekking van de Wrr
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233766:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2018, 214. Zie over de achtergrond en totstandkoming van de intrekkingswet Borman en Breunese 2019.
Zie artikel V en artikel VI van de intrekkingswet.
Voor de regering was dit reden om de Raad van State om nader advies te vragen. Zie Kamerstukken II 2017/18, 34 854, nrs. 4 en 40. Zie ook Voermans 2018.
ABRvS 2 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:364.
Zie r.o. 4.
Rb. Den Haag 4 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7888, AB 2018/399, m.nt. Van der Hulle.
Zie r.o. 4.11.
Zie r.o. 4.12.
Ook een nieuwe procedure bij de Afdeling had geen succes. De Afdeling zag geen bezwaren aan de uitsluiting van de referendabiliteit van de intrekkingswet. Zie ABRvS 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:98, AB 2019/144, m.nt. Boogaard en Uzman.
Voor dezelfde benadering koos de Haagse rechtbank in de latere procedure over de intrekking van de Wrr. De negatieve uitslag en de nasleep van het Oekraïne-referendum waren voor de regering, gesteund door een meerderheid van het parlement, aanleiding om het raadgevend referendum geheel af te schaffen.1 Om te voorkomen dat de intrekkingswet zelf aan een raadgevend referendum kon worden onderworpen, was daarin bepaald dat de Wrr daarop niet van toepassing was en dat de intrekking terugwerkende kracht zou hebben.2
Deze uitsluiting van de referendabiliteit was echter zeer omstreden en leidde ook onder staatsrechtgeleerden tot discussie.3 Stichting Meer Democratie startte daarop een procedure met als doel dat de intrekkingswet alsnog aan een referendum kon worden onderworpen. Dat deed zij eerst voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.4 Op grond van de Wrr diende de minister na aanname van een bepaald wetsvoorstel bij besluit aan te geven of het wetsvoorstel aan een raadgevend referendum kon worden onderworpen. Stichting meer Democratie kwam bij de Afdeling tevergeefs op tegen de weigering van de minister om een dergelijk besluit te nemen. Omdat het voorstel voor de intrekkingswet op dat moment nog niet was aangenomen, was de minister volgens de Afdeling nog niet bevoegd om een dergelijk besluit te nemen. Bij het ontbreken van een besluit, viel het geschil buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter.5
Stichting Meer Democratie trachtte daarop met een procedure bij de burgerlijke rechter te bewerkstelligen dat de intrekkingswet alsnog aan een referendum kon worden onderworpen. Ook deze procedure was tevergeefs. De intrekkingswet was destijds nog in behandeling bij de Eerste Kamer. Net als in de procedure over het Oekraïne-referendum zag de rechtbank daarom ook hier van een inhoudelijke beoordeling af teneinde het wetgevingsproces niet te doorkruisen.6 Dat deed zij met een vergelijkbare motivering en verwijzing naar de hiervoor bedoelde, op de Grondwet berustende bevoegdheidsverdeling tussen de staatsorganen als in de hiervoor besproken procedure over het Oekraïne-referendum:
‘De overgangsbepalingen die Meer Democratie […] aan het oordeel van de rechtbank wenst te onderwerpen, zijn geen geldend recht, maar onderdeel van een wetsvoorstel dat onderworpen is aan politieke besluitvorming door de regering en Staten-Generaal. Eerst als deze besluitvorming is afgerond zal duidelijk zijn of, wanneer en in welke vorm een Intrekkingswet tot stand zal komen. Het is thans de exclusieve bevoegdheid van de formele wetgever om die afweging te maken. Bij deze stand van zaken, waarin het proces van politieke besluitvorming over het wetsvoorstel nog gaande is en het wetsvoorstel nog niet van kracht is, staat de op de Grondwet berustende bevoegdheidsverdeling van de verschillende staatsorganen eraan in de weg dat de rechter de vorderingen van Meer Democratie beoordeelt. Het hangende de behandeling van een wetsvoorstel vellen van een rechterlijk oordeel daarover komt neer op interveniëren in het proces van politieke besluitvorming, waarin de rechter, gezien de bevoegdheidsverdeling van de verschillende staatsorganen zich niet dient te mengen. Dat de rechter, als een wetsvoorstel eenmaal kracht van wet heeft verkregen, tot taak heeft – steeds in een concreet geval – die wet uit te leggen en vast te stellen wat op grond van die wet rechtens is, maakt het voorgaande niet anders, net zo min als het gegeven dat de rechter wetten dient te toetsen aan Europees recht en een ieder verbindende verdragsbepalingen en deze, in geval van strijdigheid daarmee, buiten toepassing dient te laten. Als de rechtbank, zoals Meer Democratie van haar vraagt, hangende het wetgevingsproces een oordeel zou vellen over de (on)rechtmatigheid van de met de overgangsbepalingen beoogde uitsluiting van de referendabiliteit, zou de rechtbank ingrijpen in het wetgevingsproces, aangezien zij daarmee dit proces en/of de uitkomst daarvan zou kunnen sturen of beïnvloeden. Daarmee zou de rechtbank buiten haar taak en bevoegdheid treden.’7
Net als in de zaak over het Oekraïne-referendum voegde de rechtbank hieraan toe dat met de vorderingen uitdrukkelijk werd beoogd in te grijpen in het wetgevingsproces, nu de rechter daarmee in wezen werd gevraagd om het wetgevingsproces stil te leggen en ervoor te zorgen dat de intrekkingswet aan een referendum kon worden onderworpen. Dat slechts een verklaring voor recht werd gevorderd en geen bevel, maakte dit volgens de rechtbank niet anders. Ook dan vergden de vorderingen een rechtmatigheidsoordeel waarmee het lopende wetgevingsproces zou worden beïnvloed.8 De rechtbank onthield zich daarom van een inhoudelijke beoordeling.9