Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.4:12.4 Een politieke zaak maakt nog geen political question
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.4
12.4 Een politieke zaak maakt nog geen political question
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233643:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste twee factoren verklaren ook waarom de political question-doctrine in de rechtspraak van het Hooggerechtshof zelden ter sprake komt, laat staan wordt toegepast. In de praktijk worden veel zaken aan het Hof voorgelegd met een duidelijke politieke en maatschappelijke dimensie, en waarbij het om die reden verleidelijk kan zijn om ook deze zaken in verband te brengen met de political question-doctrine, maar waarin toepassing van deze doctrine niet in de rede ligt. Voorbeelden daarvan zijn zaken over de doodstraf, het homohuwelijk, het vuurwapenbezit, de zorgwet van President Obama, abortus, het verlenen van financiële steun aan politieke partijen en kandidaten, en het inreisverbod van President Trump. Ook Bush v. Gore over de presidentsverkiezingen in 2000 en United States v. Nixon over het overhandigen van geheime geluidsopnames ten tijde van de Watergate-affaire zijn belangrijke voorbeelden. Over al deze zaken en onderwerpen heeft het Hof zich uitgesproken en had zijn oordeel grote politieke en maatschappelijke gevolgen – in Bush v. Gore beslechtte het Hof met zijn oordeel feitelijk de presidentsverkiezingen en in United States v. Nixon vormde zijn oordeel de opmaat voor het aftreden van President Nixon – maar was de political question-doctrine niet van toepassing.
Toch kan dit alles goed worden verklaard. Volgens het Hof staat de doctrine in beginsel niet in de weg aan het uitleggen en toepassen van internationaal en nationaal recht en aan het beoordelen van de grondwettigheid van wetgeving. Dit is volgens het Hof bij uitstek de taak van de rechter. Daarbij geldt dat er geen grondwettelijke bepaling is die het uitleggen en toepassen van internationaal en nationaal recht, en het beoordelen van de grondwettigheid van wetgeving, aan de andere staatsmachten opdraagt. Ook zal het bij het uitleggen en toepassen van wetgeving, en bij het beoordelen van de grondwettigheid van wetgeving, in de regel niet ontbreken aan inhoudelijke criteria.
In de hiervoor bedoelde zaken – ook in Bush v. Gore – kwam het per saldo aan op het uitleggen en toepassen van grondrechten of andere bepalingen van de Amerikaanse Grondwet, bijvoorbeeld in het kader van een grondwettigheidsbeoordeling van wetgeving of de vaststelling van het bestaan en de reikwijdte van bevoegdheden. Hetzelfde geldt voor vrijwel alle zaken die aan het Hof worden voorgelegd. Daarom gold en geldt in de meeste zaken voor de Amerikaanse rechter de in Marbury v. Madison geformuleerde bevoegdheid en verplichting voor de rechter ‘to say what the law is.’1
Het zou dan ook onjuist zijn om te veronderstellen dat de political questiondoctrine een instrument is waarmee de Amerikaanse rechter politiek en maatschappelijk gevoelige zaken of netelige constitutionele vraagstukken zou kunnen weren. Of zoals het Hof het in Baker v. Carr formuleerde: ‘The doctrine of which we treat is one of political questions, not one of political cases.’2
Voor partijen is het hierdoor in beginsel vrij eenvoudig om hun geschil buiten het bereik van de political question-doctrine te houden: door te betogen dat een inbreuk is gemaakt op grondrechten of een beroep te doen op andere bepalingen van de Amerikaanse Grondwet, is het mogelijk om het geschil buiten het bereik van de doctrine te houden. De omstandigheid dat het oordeel van de rechter belangrijke politieke en maatschappelijke gevolgen heeft of zou kunnen hebben, maakt dit niet anders.