Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.1:12.1 Urgenda en de politieke rol van de rechter
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.1
12.1 Urgenda en de politieke rol van de rechter
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233744:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek stond in het teken van de vraag of er in Nederland een doctrine bestaat op grond waarvan de rechter in bepaalde, uitzonderlijke, gevallen een inhoudelijke beoordeling achterwege moet laten. De directe aanleiding voor dit onderzoek vormt het Urgenda-vonnis van de rechtbank in Den Haag van 24 juni 2015. Dit vonnis is een van de meest besproken en bekritiseerde rechterlijke uitspraken van de afgelopen decennia.
Diverse auteurs hebben zich op het standpunt gesteld dat het Urgendavonnis van de Haagse rechtbank op gespannen voet staat met de rol van de rechter binnen de trias. Deze kritiek richtte zich niet alleen op het door de rechtbank gegeven reductiebevel aan de Staat om de uitstoot van broeikasgassen te doen verminderen, dat volgens sommige auteurs zou neerkomen op een verboden wetgevingsbevel, maar ook op de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank en de principiële vraag of de rechter zich überhaupt over dit geschil had mogen uitspreken. Sommige auteurs, zoals Bergkamp en Bovend’Eert, hebben betoogd dat de rechter van een inhoudelijke beoordeling had moeten afzien, omdat het geschil raakte aan fundamenteel politieke vragen. Door wel tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan, is de rechter volgens deze auteurs vervallen in beschouwingen die sterk politiek en beleidsmatig getint zijn en waarover de regering en het parlement, en niet de rechter, zich zouden moeten uitspreken.
Ter onderbouwing van hun betoog dat de rechter zich in Urgenda afzijdig had moeten houden door van een inhoudelijke beoordeling af te zien, hebben Bergkamp en Bovend’Eert uitdrukkelijk verwezen naar de Amerikaanse political question-doctrine. Op zichzelf is dat niet verrassend: deze doctrine geniet in de Nederlandse rechtspraktijk al veel langer bekendheid en is ook in stelling gebracht in reactie op diverse andere recente zaken voor de Nederlandse rechter. Voorbeelden daarvan zijn de strafzaak tegen Geert Wilders om zijn ’minder minder’-uitspraak en recente procedures over de Brexit, het Oekraïne-referendum en de afschaffing van het raadgevend referendum. Net als Urgenda raken deze andere zaken meer in algemene zin aan de discussie over de rol van de rechter ten opzichte van de andere staatsmachten.
In dit onderzoek is bezien of er in Nederland een vergelijkbare doctrine bestaat als de Amerikaanse political question-doctrine en, zo ja, wat deze doctrine inhoudt, in wat voor geschillen deze doctrine wordt toegepast, en hoe de Nederlandse doctrine zich verhoudt tot de Amerikaanse doctrine.