Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.10:12.10 Terminologie
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.10
12.10 Terminologie
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233677:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stolker 1993, p. 58.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zoverre ligt een discussie over de in dit verband gebruikte terminologie voor de hand. In de discussie over de rol van de rechter wordt regelmatig gesproken over ‘politieke geschillen’, geschillen ‘in de politieke sfeer’, ‘politieke kwesties’ of over de ‘politieke rol’ van de rechter.
Het is echter niet eenvoudig om te omschrijven wat precies onder dergelijke geschillen moet worden verstaan. Vaak wordt in de literatuur eenvoudigweg bekend verondersteld wat hiermee wordt bedoeld. In de bundel Rechters en politiek uit 1993 heeft Stolker geprobeerd dergelijke geschillen te omschrij- ven. Volgens hem kunnen politieke geschillen op verschillende manieren worden omschreven, variërend van zaken die raken aan het wetgevingsproces tot zaken die verband houden met onderwerpen waarover in de samenleving een diep verschil van mening bestaat, waarin ideële vragen centraal staan, of waarin essentiële waarden of keuzes aan de orde zijn die richting geven aan de samenleving. Stolker meende echter dat deze omschrijvingen zo veelomvattend zijn, dat zij niet kunnen volstaan om het terrein van de wetgever en dat van de rechter duidelijk van elkaar af te bakenen. Daarom stelde hij voor de rechtspraak als vertrekpunt te nemen in plaats van een definitie te hanteren waarmee wordt beoogd politieke geschillen op voorhand in te kaderen:
‘Met de mededeling dat de rechter zich niet met politiek moet bezighouden, komen we niet veel verder. Ik zou daarom het probleem van de politieke rol van de rechter eens van een heel andere kant willen benaderen. Als het dan vrij vruchteloos is om politieke zaken zodanig te omschrijven dat er een grens ontstaat tussen enerzijds het terrein van de wetgever en anderzijds dat van de rechter, laten we ons dan eens in de jurisprudentie storten, en kijken in welke zaken de rechter zélf vond dat hij voor een vraag werd geplaatst die beter door de wetgever kon worden beantwoord. We zijn dan af van het woord politiek en richten ons volledig op de vraag van welke zaken de rechter wenst te abstineren, en waarom.’1
Ik sluit me bij deze conclusie van Stolker aan: het is vrij vruchteloos, zo niet onmogelijk, om politieke geschillen op voorhand nader en uitputtend te omschrijven. De vraag is echter of dit heel bezwaarlijk is. De in dit onderzoek besproken rechtspraak maakt duidelijk dat de grens tussen recht en politiek niet heel duidelijk is. De rechter betreedt in de praktijk al snel het domein van de politiek, bijvoorbeeld omdat het geschil direct of indirect raakt aan het wetgevingsproces, omdat de Staat of een ander overheidsorgaan daarbij betrokken is, of omdat het geschil raakt aan een onderwerp of kwestie waarover politiek en maatschappelijk gezien verschil van mening bestaat.
Ook bij het ontbreken van een omschrijving of definitie van politieke geschillen is het echter wel mogelijk om political questions te onderscheiden. Op basis van de in dit onderzoek besproken rechtspraak van de Amerikaanse en Nederlandse rechter kunnen political questions mijns inziens worden omschreven als een bijzondere, zeer beperkte categorie van geschillen binnen de veel ruimere, maar moeilijk af te bakenen, groep politieke geschillen. Doet zich volgens de rechter een political question voor, dan meent hij dat hij een inhoudelijk oordeel niet ‘mag’ of ‘kan’ geven. Zoals gezegd, gaat het in Nederland dan vooral om beslissingen van de regering die het buitenlands beleid meer in algemene zin vormgeven en om geschillen waarin een inhoudelijk oordeel van de rechter het lopende politieke besluitvormingsproces zou doorkruisen. Andere voorbeelden zijn strafrechtelijke leerstukken zoals de in artikel 71 Gw neergelegde parlementaire immuniteit, de op grond van artikel 119 Gw door de regering of de Tweede Kamer te nemen beslissing over de vervolging van politieke ambtsdragers, en de strafrechtelijke immuniteit van de Staat.