Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.7:12.7 Political questions en de trias
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/12.7
12.7 Political questions en de trias
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233705:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de contouren van de Amerikaanse political question-doctrine en de hiervoor geschetste benaderingen van de Nederlandse rechter en leerstukken die daarop lijken in het achterhoofd, is een belangrijke vervolgvraag hoe een dergelijke doctrine moet worden beoordeeld in het licht van de trias politica. Bij de beantwoording van deze vraag is aansluiting gezocht bij drie aspecten van de trias: het beginsel van de machtenscheiding, het machtsevenwicht en de effectieve rechtsbescherming in combinatie met het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op toegang tot de rechter.
De conclusie luidt dat een political question-doctrine in beginsel niet of nauwelijks op theoretische bezwaren stuit. Hoewel het binnen de machtenscheiding bij uitstek tot de taak van de rechter behoort om geschillen te beslechten, is daarmee niet gezegd dat de rechter zich ook over ieder geschil moet uitspreken. Daarbij moet worden bedacht dat de Nederlandse rechter een goede reden heeft om in sommige gevallen een political question aan te nemen. Bij geschillen over het buitenlands beleid ontbreekt het, zoals gezegd, aan geschikte criteria voor een inhoudelijke beoordeling. Bij de hiervoor bedoelde andere geschillen waarin een inhoudelijk oordeel het lopende politieke besluitvormingsproces zou doorkruisen, staat de op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden aan een inhoudelijke beoordeling in de weg. In deze geschillen ‘kan’ respectievelijk ‘mag’ de rechter geen inhoudelijk oordeel geven. Verdedigbaar is dat de beslissing van de rechter om zich in deze geschillen afzijdig te houden de machtenscheiding veeleer ten goede komt. In het verlengde daarvan hoeft de toepassing van de doctrine in deze geschillen ook niet in strijd te komen met het machtsevenwicht.
Evenmin hoeft een political question-doctrine op zichzelf te wringen met de effectieve rechtsbescherming en de toegang tot de rechter. In de zaak Markovic en anderen t. Italië uit 2006 moest het EHRM zich uitspreken over een vergelijkbare benadering van de Italiaanse rechter in een zaak over de aansprakelijkheid van de Italiaanse Staat voor het militair ingrijpen in Joegoslavië. De Italiaanse rechter ging daar niet in mee: een oordeel over de wijsheid van een beslissing van de regering tot militair ingrijpen heeft bij uitstek een politiek karakter en kan daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling worden onderworpen. Volgens de Grote Kamer van het EHRM leverde dit geen schending van artikel 6 EVRM op, nu niet kon worden gezegd dat eisers de toegang tot de rechter was ontzegd. Eisers konden hun beroep aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter voorleggen en hadden dat ook gedaan. Dat de rechter vervolgens, na afweging van alle argumenten en belangen, tot de conclusie was gekomen dat een political question aan de orde was en een inhoudelijke beoordeling daarom achterwege had gelaten, vormde op zichzelf geen schending van het recht op toegang tot de rechter.