De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.2.10:II.5.2.10 De zwaarte van de herzieningsprocedure en de praktijk
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.2.10
II.5.2.10 De zwaarte van de herzieningsprocedure en de praktijk
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285070:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik kies voor de praktijk vanaf 1848, omdat deze grondwetsherzieningsprocedure van 1848 nog steeds sterke gelijkenis vertoont met de huidige procedure.
Zie bijv. Kortmann, NJB 2009/2239.
Zie voor de huidige status van deze voorstellen: bijlage IV.
Zie: Ginsburg & Melton, I-Con 2015, p. 712-713.
Aerts 2016, p. 57.
Kortmann 2016, p. 83-84.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de praktijk blijkt dat grondwetsherzieningen sinds 1848 regelmatig voorkomen.1 Zie ook het onderstaande schema:
Jaartal
Aantal grondwetsherzieningen (107)
1884
1
1887
9
1917
3
1922
10
1938
6
1946
1
1948
4
1953
1
1956
10
1963
4
1972
6
1983
33
1987
2
1995
4
1999
4
2000
1
2002
1
2005
1
2006
1
2008
2
2017
1
2018
1
2019
1
Sommigen zullen stellen dat de recente grondwetsherzieningen weinig van belang waren.2 Er bestaan inderdaad voorbeelden van weinig belangwekkende grondwet-herzieningen. Het gaat dan om technische wijzigingen, bijvoorbeeld het schrappen van een additionele bepaling of om een regeling betreffende de voogdij over de minderjarige Koning (zie artikel 34 Gw). Niettemin hebben er (betrekkelijk) recent ingrijpende grondwetsherzieningen plaatsgevonden. Denk bijvoorbeeld aan wijzigingen in de wijze van samenstelling van staatsinstellingen, in de toekenning van bevoegdheden aan deze staatsinstellingen en in de grondrechten van burgers.
de wijze van verkiezing en zittingsduur van de leden van de Eerste Kamer (1983);
een grondwettelijk verbod van de doodstraf (1983);
de introductie van sociale grondrechten (1983);
de inlichtingenplicht voor ministers en staatssecretarissen bij door Kamerleden verlangde inlichtingen (1987);
de mogelijkheid van afschaffing of opschorting dienstplicht (1995);
de afschaffing van de ontbinding van de Eerste Kamer in de grondwetsherzieningsprocedure (1995);
de nieuwe bepalingen inzake de verdediging (2000);
de verandering van artikel 12 Gw over het huisrecht (2002);
het wegnemen van de grondwettelijke beperking inzake samenwerkingsscholen (2006);
het opnemen van een constitutionele basis voor Caribische openbare lichamen (2017);
Het deconstitutionaliseren van de kroonbenoeming van de burgemeester (2018).
Bovendien lijkt het erop dat belangwekkende voorstellen over de aanpassing van artikel 13 Gw, de opname van een bepaling voor een eerlijk proces en een bepaling over de herijking van de grondwetsherzieningsprocedure grote kans maken om tot een grondwetsherziening te leiden.3
Daarbij is het nog de vraag of alleen de grondwetsherzieningsprocedure de oorzaak is van een (vermeend laag) aantal grondwetsherzieningen. Internationaal onderzoek geeft aan dat een zwaardere procedure niet noodzakelijk correleert met weinig wijzigingen en een lichte procedure met veel wijzigingen.4 Niet is uitgesloten dat het aantal herzieningen een gevolg is van een cultuur op het gebied van grondwetsherzieningen. Aerts oppert in die lijn dat er sprake kan zijn van padafhankelijkheid: keuzes uit het verleden voor een bepaalde constitutionele structuur of model kunnen bepalend zijn voor latere ontwikkelingen. Aerts spreekt van een institutioneel traditionalisme, er ontbreekt de politieke steun en noodzaak voor ingrijpende wijzigingen in ons constitutioneel bestel.5 Bovendien heeft de Grondwet een open karakter,6 waardoor mogelijk de noodzaak voor grondwetsherzieningen minder aan de orde is.
De vraag of de procedure te zwaar is, dient om bovengenoemde redenen vooralsnog ontkennend beantwoord te worden.