Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/1009
Procesrecht. Kort geding. Dwangsom. Hoger beroep tegen toewijzing vorderingen in kort geding bij verstek en in verzetprocedure, versterkt met dwangsomveroordeling; taak rechter in hoger beroep; beoordeling spoedeisend belang.
HR 25-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1541
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25 oktober 2024
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide
- Zaaknummer
23/02578
- Conclusie
A-G mr. G.R.B. van Peursem
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Beslag en executie
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1541, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑10‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:731, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑07‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑07‑2023
- Wetingang
Essentie
Procesrecht. Kort geding. Dwangsom. Hoger beroep tegen toewijzing vorderingen in kort geding bij verstek en in verzetprocedure, versterkt met dwangsomveroordeling; taak rechter in hoger beroep; beoordeling spoedeisend belang.
Samenvatting
Wanneer hoger beroep is ingesteld van een verzetvonnis waarin de voorzieningenrechter het verstekvonnis waarin vorderingen versterkt met een dwangsomveroordeling zijn toegewezen, heeft bekrachtigd, moet de rechter in hoger beroep ambtshalve beoordelen of ten tijde van zijn beslissing nog spoedeisend belang bestaat bij de vordering (HR 2 februari 1968, NJ 1968/2 en HR 31 mei 2002, NJ 2003/343, m.nt. H.J. Snijders). Als de rechter ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.