RvdW 2024/1030:Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9 lid 2 WVW 1994. Bewijsklacht. Kan uit omstandigheden dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs per aangetekende brief is verzonden naar verdachte, dat verdachte op de hoogte is geweest van inhoud van brieven die naar hem zijn gestuurd door CBR (hij moet op straffe van ongeldigverklaring van rijbewijs meewerken aan onderzoek naar alcoholgebruik), dat namens verdachte bezwaar is gemaakt tegen besluit tot schorsing van geldigheid van rijbewijs, dat verdachte heeft gereageerd op oproep voor onderzoek en dat CBR zijn rijbewijs reeds heeft ontvangen, worden afgeleid dat verdachte ‘redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? Uit bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat verdachte op 2 augustus 2019 redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan hof heeft geoordeeld, is omstandigheid dat besluit tot ongeldigverklaring van rijbewijs van verdachte per aangetekende brief is verzonden naar verdachte, daarvoor niet voldoende. Ook uit overige omstandigheden, die verband houden met onderzoek naar rijgeschiktheid en het al voorafgaand aan besluit tot ongeldigverklaring inleveren van rijbewijs, die hof in onderlinge samenhang in aanmerking heeft genomen, kan dit niet worden afgeleid. Bewezenverklaring is daarom op dit punt ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR 9 juli 2019, NJ 2019/454, m.nt. W.H. Vellinga). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2024/1031 en RvdW 2024/1032.