RvdW 2024/1040:Medeplegen diefstal d.m.v. braak (art. 311 lid 1 onder 4 Sr en art. 311 lid 1 onder 5 Sr). Bewijsklacht medeplegen. Heeft verdachte, die op achterbank van auto tussen gestolen goederen zat, zodanige bijdrage geleverd dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Uit door hof vastgestelde f&o blijkt dat getuige alleen 2 mannelijke inzittenden van auto buiten auto heeft waargenomen, terwijl verdachte alleen zittend in auto is waargenomen. Verdachte heeft verklaard dat zij ‘wel op camera’s zal staan’; dat zou mogelijk aldus kunnen worden uitgelegd dat zij op enig moment auto heeft verlaten. Maar dat is niet enig mogelijke uitleg; verdachte kan ook hebben gemeend dat auto wel op ‘camera’s’, over locatie waarvan verdachte zich niet uitlaat, zichtbaar zal zijn geweest, en dat zij daar om die reden wel op zal staan. Hof heeft deze verklaring in bewijsoverweging niet (nader) geduid. In licht van f&o die uit verklaring van getuige blijken is geen sprake van situatie waarin m.b.t. toedracht van diefstal niet meer kan worden vastgesteld dan dat deze door ‘verenigde personen’ is begaan, maar niet direct door wie precies. F&o die uit verklaring van getuige blijken leveren tevens contra-indicatie m.b.t. medeplegen door verdachte op. Aan het zich niet distantiëren door verdachte komt geen grote betekenis toe; het gaat erom dat verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan delict. Oordeel hof dat verdachte medepleger is van diefstal is niet toereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.