RvdW 2024/1044:Medeplegen opzetheling van auto, art. 416 lid 1 sub a Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten t.a.v. wetenschap en medeplegen. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft oordeel dat verdachte t.t.v. verkrijgen van auto wetenschap had dat deze auto van misdrijf afkomstig was ontleend aan feit dat verdachte laat in avond voor beloning samen met medeverdachte A naar Breda is gereden en daar zeer kostbare auto heeft opgehaald, zonder dat hij zich ervan heeft vergewist van wie auto is en waarom zij auto moesten ophalen, en dat auto vervolgens door medeverdachte A in ontvangst is genomen van onbekend persoon. Voorts betrekt hof bij zijn oordeel telefoongesprek tussen opdrachtgever B en A, waarin B tegen A zegt dat hij niet naar ‘die chappie’ mag toelopen en A laat weten dat hij ‘sneaky’ geparkeerd staat. Daaruit begrijpt hof dat A auto waarin hij en verdachte in Breda zaten onopvallend had geparkeerd. Hof gaat er niet onbegrijpelijk vanuit dat verdachte dit telefoongesprek heeft gehoord. Zou verdachte niet hebben geweten dat auto van diefstal afkomstig was, dan bestond er, aldus hof, immers geen reden om op dergelijke wijze deze auto in ontvangst te nemen. Tot slot neemt hof in aanmerking dat verdachte geen voor deze redengevende omstandigheden aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. ’s Hofs oordeel dat het ervan uitgaat dat verdachte in auto telefoongesprek heeft gehoord en dat mede hieruit kan worden afgeleid dat verdachte wist dat auto van misdrijf afkomstig was, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Ook oordeel hof dat sprake was van vooraf duidelijk afgesproken plan van verdachte en medeverdachte A om gestolen auto op te halen. In het licht van dit gezamenlijke plan geeft oordeel van hof dat door hof vastgestelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende zijn om te kunnen spreken van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en A, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Feit dat afgesproken taakverdeling in dit geval inhoudt dat bijdrage van verdachte aan geheel mogelijk van minder gewicht is geweest dan bijdrage van A, doet aan voorgaande niet af, evenmin omstandigheid dat verdachte zijn beloning via A heeft ontvangen en niet direct van B zelf. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2024/1045 en RvdW 2024/1046.