Einde inhoudsopgave
RvdW 2022/836
Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Overeenkomst van geldlening. Dwaling t.a.v. gerechtelijke erkentenis. Heeft schuldenaar bij betaling een aanwijzing gegeven als bedoeld in art. 6:43 lid 1 BW (imputatie)?
HR 16-09-2022, ECLI:NL:HR:2022:1212
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
16 september 2022
- Magistraten
Mrs. T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, F.R. Salomons, K. Teuben
- Zaaknummer
21/03812
- Conclusie
A-G mr. S.D. Lindenbergh
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2022:1212, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 16‑09‑2022
ECLI:NL:PHR:2022:439, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑05‑2022
Partij(en)
ARREST In de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep, hierna: [eiseres] , advocaten: J.H.M. van Swaaij en J.M. Moorman, tegen [verweerder] , wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep, hierna: [verweerder] , advocaat: J. van Weerden.