RvdW 2022/874:Vervolgingsuitlevering o.b.v. Uitleveringsverdrag Nederland en Verenigd Koninkrijk van opgeëiste persoon (Britse nationaliteit) naar Bermuda Eilanden t.z.v. oplichting, witwassen en verstrekken van misleidende informatie aan monetaire autoriteit van Bermuda. 1. Genoegzaamheid stukken, art. 18 Uitleveringswet en art. XII Verdrag. 2. Bij beoordeling van toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering moet worden uitgegaan van stand van het recht t.t.v. beslissing op uitleveringsverzoek (vgl. HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH8601). Opvatting dat art. II vierde alinea Verdrag met zich brengt dat (in afwijking van hiervoor genoemd uitgangspunt) uitlevering voor feiten die niet in eerste alinea van art. II Verdrag zijn opgesomd, uitsluitend is toegelaten als uitlevering een feit betreft dat niet alleen t.t.v. beslissing op uitleveringsverzoek strafbaar is maar ook al in 1898 (jaar van totstandkoming van Verdrag) strafbaar was in zowel verzoekende als aangezochte Staat, is mede gelet op tekst van art. II Verdrag onjuist. 3. Oordeel Rb dat feiten 3, 4 en 5 waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, naar Nederlands recht telkens opzettelijke overtreding van voorschrift gesteld bij of krachtens art. 1:74 lid 1 Wft (strafbaar gesteld bij art. 1, 2 en 6 WED) opleveren is onjuist. Gelet op omschrijving van feiten 3, 4 en 5 waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, vloeit strafbaarheid van die feiten naar Nederlands recht wel voort uit art. 225 Sr.