RvdW 2022/870:Diefstal, art. 310 Sr. Bijzondere voorwaarde, art. 14c lid 2 sub 14 Sr. Uitleg van ‘andere voorwaarden, het gedrag van veroordeelde betreffende’. Kon hof als bijzondere voorwaarde stellen dat veroordeelde verplicht is om toestemming te geven voor raadplegen van alle door reclassering noodzakelijk geachte referenten? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 31 mei 2022, NJ 2022/250, m.nt. J.M. ten Voorde m.b.t. uitleg van gedragsvoorwaarde en vereisten voor stellen daarvan en uit HR 28 september 2021, NJ 2022/9, m.nt. J.M. ten Voorde, inhoudende dat regelingen van art. 14c lid 3 sub b Sr en art. 6:3:14 Sv er niet aan in de weg staan dat bijzondere voorwaarde a.b.i. art. 14c lid 2 sub 14 Sr wordt gesteld die ertoe strekt toezicht op andere door rechter o.g.v. art. 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Door hof gestelde bijzondere voorwaarde ‘dat veroordeelde verplicht is om toestemming te geven voor raadplegen van alle door reclassering noodzakelijk geachte referenten’ voldoet niet aan hiervoor genoemde eisen en is daarom in strijd met art. 14c lid 2 sub 14 Sr. Hof heeft immers in het midden gelaten hoe die voorwaarde zich precies verhoudt tot overige door hof gestelde bijzondere voorwaarden en al beschikbare mogelijkheden om toezicht op naleving van die voorwaarden te houden. Bovendien heeft hof door uitsluitend te bepalen dat verdachte toestemming moet geven voor raadplegen van ‘alle door reclassering noodzakelijk geachte referenten’ o.m. niet duidelijk gemaakt wie als zodanige referenten kunnen worden aangemerkt en met welk doel deze referenten (mogen) worden benaderd. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. bijzondere voorwaarde (zonder terugwijzing).