RvdW 2022/876:Beklag, beslag ex art. 94 Sv en 94a Sv op diverse panden onder verschillende stichtingen (klaagsters) i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen één van de bestuurders van stichtingen. 1. Rb heeft vastgesteld dat in strafzaak tegen één van bestuurders van klaagster deze ervan wordt verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschrift, verduistering en gewoontewitwassen, bestuurder betrokken is geweest bij oprichting van klaagster en andere beslagen stichtingen, er verdenking bestaat dat hij met uit deze misdrijven verkregen gelden via deze stichtingen de vastgoedportefeuille (waarop beslag rust) heeft opgebouwd en hij prominente rol heeft gespeeld bij voorgenomen verkoop na beslaglegging als één geheel van vastgoedportefeuille van verschillende stichtingen. Mede o.b.v. deze vaststellingen heeft Rb geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat panden aan klaagster zijn gaan toebehoren met kennelijk doel de uitwinning ervan te bemoeilijken of te verhinderen en dat zich met deze verhaalsfrustratie de situatie van art. 94a lid 4 of 94a lid 5 Sv voordoet. Aldus heeft Rb kennelijk geoordeeld dat klaagster moet worden aangemerkt als eigenaar van onroerende zaken waarop conservatoir beslag is gelegd en dat klaagster wist dat panden aan haar zijn gaan toebehoren met als doel verhaalsfrustratie. Dit oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is, ook in het licht van wat door raadsman is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. 2. Rb heeft t.a.v. het o.g.v. art. 94 Sv gelegde beslag haar oordeel dat belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van inbeslaggenomen panden o.m. gegrond op omstandigheden dat deze panden kunnen dienen om waarheid aan de dag te brengen en dat deze panden kunnen dienen om w.v.v. aan te tonen. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd.