Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.1.2
9.4.1.2 AVAS: centrale of perifere stelling?
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940761:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarvoor paragraaf 9.3.1 en 9.3.2.
Zie paragraaf 9.3.2.1.
Zie paragraaf 7.3.7.4.2.
Zie in dit verband ook paragraaf 12.4.1.3, waarin ik verdedig dat de rechter ten aanzien van alle centrale stellingen een ambtshalve toetsingsplicht heeft. De inspecteur moet dus wel altijd eerst daadwerkelijk bewijs leveren van de aanwezigheid van opzet of grove schuld.
Zie omtrent het verschil ten opzichte van schuld in de zin van daderschap nader paragraaf 9.3.2.2.2.
Aldus ook (ten aanzien van strafuitsluitingsgronden in het algemeen): Koopman 1996, p. 199.
Zie paragraaf 9.3.2.2.5.
Zie paragraaf 9.3.2.2.5.
HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87.
HR 15 juni 2007, V-N 2007/28.9, BNB 2007/251. De feitenrechter pleegt de leer van de Hoge Raad te volgen, zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2014, V-N 2015/12.16, r.o.4.10.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 134. Idem: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Zeeland-West-Brabant 6 maart 2020, V-N 2020/33.22. Zie voorts paragraaf 9.3.2.2.
Zie paragraaf 9.3.2.2.4. In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 375-376, die betwijfelt of naast de stelplicht ook de bewijslast van AVAS wel op de boeteling rust.
Zie ook paragraaf 3.5.4.3.
HR 9 juli 2010, V-N 2010/32.3, BNB 2010/294, FED 2010/89, NTFR 2010/1684. Zie daarover nader hierna in paragraaf 9.4.1.3.
Naar mijn mening houdt de bewijslastverdeling bij AVAS nauw verband met de bewijslastverdeling zoals die geldt voor de mate van verwijtbaarheid als centrale stelling.1 Bij het element van de verwijtbaarheid als centrale stelling draait het om het bewijs van de aanwezigheid van verwijtbaarheid. De invalshoek bij AVAS is nu juist de afwezigheid daarvan: het houdt een betwisting in van de verwijtbaarheid. AVAS bevindt zich daarom in wezen op het scheidsvlak van de centrale en de perifere stellingen. Bij vergrijpboetes is de mate van verwijtbaarheid een centrale stelling, bij verzuimboetes is dat niet geheel duidelijk. Ter bepaling van de bewijslastverdeling bij AVAS moet daarom een onderscheid worden gemaakt tussen vergrijpboetes en verzuimboetes.
Vergrijpboetes: AVAS als tegenbewijs van een centrale stelling
Bij vergrijpboetes is de belastingplichtige pas aan zet nadat de inspecteur de aanwezigheid van de door de delictsomschrijving vereiste schuldgradatie (opzet of grove schuld) ‘beyond reasonable doubt’ heeft bewezen.2 Als de belastingplichtige vervolgens AVAS stelt en bewijst, levert hij dus tegenbewijs van die centrale stelling van de inspecteur.3 Gelet op de onschuldpresumptie ontmoet het strikt genomen geen bezwaar dat de stelplicht en de bewijslast van een AVAS-verweer bij vergrijpboetes op de boeteling rust. De inspecteur heeft dan immers reeds aan de op hem rustende primaire bewijslast ten aanzien van de mate van verwijtbaarheid voldaan.4
Verzuimboetes: AVAS als perifere stelling of als tegenbewijs van een centrale stelling?
Bij verzuimboetes is het karakter van AVAS niet op voorhand duidelijk. AVAS kan als een perifere stelling worden aangemerkt, maar evengoed als een stelling die (net als bij vergrijpboetes) tegenbewijs van de verwijtbaarheid als centrale stelling inhoudt. Het hangt van de interpretatie van het arrest Salabiaku – omtrent de betekenis van de onschuldpresumptie bij schuldneutrale delicten – af, welke van beide opvattingen de juiste is.
In paragraaf 9.3.2.2 heb ik aangegeven, dat uit het arrest Salabiaku zowel in de literatuur als in de rechtspraak pleegt te worden afgeleid, dat het ontbreken van een schuldverband in de delictsomschrijving betekent dat de inspecteur in het geheel geen bewijs van enige schuld (in de zin van verwijtbaarheid5) van de boeteling hoeft te leveren. De verwijtbaarheid is in deze opvatting bij verzuimboetes dus geen centrale stelling. De aanwezigheid van enige mate van schuld wordt voorondersteld. Het AVAS-verweer is in deze opvatting een afzonderlijk erkende exoneratiegrond, en daarmee een perifere stelling die de boeteling inneemt. Omdat het om een boeteverlagende component gaat, rust de bewijslast in deze opvatting dan ook geheel op de boeteling.6
Eveneens in paragraaf 9.3.2.2 heb ik verdedigd dat de hiervoor aangehaalde, gangbare interpretatie van het arrest Salabiaku naar mijn mening niet juist is. In mijn opvatting moet bij verzuimboetes als impliciet element in de delictsomschrijving worden ingelezen dat ten minste enige mate van verwijtbaarheid aanwezig moet zijn. Dat impliciete element vormt een centrale stelling. Dat heeft tot gevolg dat de inspecteur niet kan volstaan met het bewijs van alleen het kale beboetbare feit. In ieder geval moet de rechter de aanwezigheid van ten minste enige schuld (in de zin van verwijtbaarheid) zo nodig zelfstandig afleiden uit het aanwezige dossier en eventueel aanwezige gronden om de boete in het concrete geval te verminderen of te vernietigen, ambtshalve toepassen.7 Het AVAS-verweer heeft in deze opvatting dezelfde betekenis als bij vergrijpboetes. Omdat het bewijs van het impliciete element ‘ten minste enige mate van schuld’ eerst (‘beyond reasonable doubt’) door de inspecteur moet zijn geleverd, levert de boeteling door AVAS te stellen en daarvan bewijs te leveren, vervolgens tegenbewijs van die reeds bewezen centrale stelling.
Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat de Hoge Raad het AVAS-verweer vermoedelijk8 als een perifere stelling kwalificeert. De boeteling die zich op AVAS beroept, moet immers de daarvoor relevante feiten stellen9 en bij betwisting bewijzen.10 Ook volgens de Awb-wetgever ligt niet alleen de stelplicht, maar ook de primaire bewijslast ter zake van AVAS nadrukkelijk geheel bij de boeteling.11 Naar mijn mening gaat die opvatting in het licht van de onschuldpresumptie te ver. Een zuivere stelplicht zou gelet op de jurisprudentie van het EHRM nog wel door de beugel kunnen.12 Daarna is de inspecteur echter aan zet: die moet de aanwezigheid van enige schuld bewijzen. Van de boeteling mag dus worden gevraagd om zich ten minste te beroepen op AVAS, waarna de primaire bewijslast die op de inspecteur rust, tot leven komt.13 Het is mogelijk dat de Hoge Raad in de loop van de tijd meer genuanceerd is gaan denken over dit vraagstuk, aangezien uit een arrest uit 2010 a contrario is af te leiden dat de inspecteur ten aanzien van feiten en omstandigheden die een beroep op AVAS zouden rechtvaardigen, een ambtshalve toetsingsplicht heeft.14
Het belang van dit alles schuilt in het bewijsrisico ten aanzien van de aan- of juist afwezigheid van ten minste enige schuld. Als in rechte niet (‘beyond reasonable doubt’) komt vast te staan dat er enige schuld is geweest, moet de verzuimboete in mijn opvatting vervallen. Of de boeteling AVAS heeft kunnen bewijzen, doet dan niet terzake. In de andersluidende opvatting blijft de verzuimboete overeind als in rechte niet komt vast te staan dat er AVAS is geweest. Of bewezen is dat de boeteling daadwerkelijk enige schuld had, doet dan niet terzake.