Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.4.1.4
9.4.1.4 Bewijsobject
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940461:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 juni 2007, V-N 2007/28.9, BNB 2007/251, r.o. 3.3 (zie voor de afloop na verwijzing Hof Arnhem 21 januari 2008, V-N 2008/23.6). Zie voorts paragraaf 9.3.4.3.
In dezelfde zin: Vet 2012, par. 5.1. Hij haalt Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2012, V-N 2012/46.27.7 aan, waarin uit het ontbreken van grove schuld impliciet wordt afgeleid dat er sprake is van AVAS. Met Vet ben ik van mening dat die opvatting onjuist is. Ook uit HR 10 januari 2001, BNB 2001/95 kan dat reeds worden opgemaakt (dat grove schuld ontbreekt, betekent nog niet dat ook alle schuld afwezig is).
Ook in het strafrecht wordt de aanduiding niet letterlijk genomen, in de zin dat alle schuld moet ontbreken: Het gaat erom dat het voor strafbaarheid vereiste niveau van verwijtbaarheid niet wordt gehaald, zie Tekst & Commentaar Strafrecht, Inleidende opmerkingen bij: Wetboek van Strafrecht, Titel III Uitsluiting en verhoging van strafbaarheid, 15. Afwezigheid van (alle) schuld (AVAS).
Vgl. ook hetgeen ik in dezelfde zin opmerk in paragraaf 9.4.2 betreffende het pleitbaar standpunt. Zie in dit verband ook Rb Gelderland 12 april 2018, V-N 2018/41.22. De rechtbank kwalificeerde het handelen van de belastingplichtige weliswaar als ‘alleszins redelijk’ (r.o. 15), maar vond dat onvoldoende voor AVAS (r.o. 14). Uit de bewoordingen van de uitspraak wordt niet geheel duidelijk of de rechtbank mijn opvatting deelt: uit r.o. 14 kan namelijk worden afgeleid dat de rechtbank vond dat de boeteling wel degelijk meer had kunnen doen. Zie voorts Rb Zeeland-West-Brabant 6 maart 2020, V-N 2020/33.22. In die zaak was sprake van een technische storing bij de Belastingdienst, waardoor IB-aangiftes van ondernemers gedurende enige tijd niet konden worden ingediend. De inspecteur legde vervolgens aan de partner van de ondernemer een boete op wegens het te laat doen van aangifte, met als argument dat zij – in plaats van gezamenlijk met haar partner – ook zelfstandig (tijdig) aangifte had kunnen doen, nu zij zelf geen ondernemer was. Ondanks die theoretische mogelijkheid oordeelde de rechtbank dat er sprake was van AVAS, omdat zulks in redelijkheid niet kon worden gevergd.
In de jurisprudentie wordt de aanwezigheid van AVAS doorgaans getoetst aan de hand van de vraag of de boeteling ‘alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht.’1 Op het eerste gezicht lijkt deze formulering niet uit te sluiten dat er – in weerwil van de benaming AVAS – nog wel enige mate van schuld of verwijtbaarheid kan bestaan. Van de boeteling wordt immers niet verlangd dat hij tot het uiterste gaat om fouten te voorkomen: hij hoeft slechts te doen wat in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs mag worden verwacht. Toch ben ik van mening dat het betreffende criterium wel degelijk gericht is op de vraag of alle schuld ontbreekt.2 De redelijkerwijs-toets behelst immers een drempelwaarde: gaat de in acht genomen zorg boven die drempelwaarde uit, dan staat daarmee vast dat elke verwijtbaarheid ontbreekt.3 Meer dan de boeteling gedaan heeft, kon immers niet worden gevergd, zodat hem geen enkel verwijt treft.4