Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.5:8.4.5 Coronavirus
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.4.5
8.4.5 Coronavirus
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233673:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag (vzr.) 24 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6856.
Zie r.o. 4.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vijfde voorbeeld van een zaak die hier bespreking verdient, is de recente zaak over de maatregelen tegen het coronavirus.1 Tot deze maatregelen behoorden onder meer een gedwongen sluiting van scholen, universiteiten, bioscopen, restaurants en sportscholen. Ook moesten burgers een afstand van 1,5 meter tot elkaar en diverse hygiënemaatregelen in acht nemen. Deze maatregelen waren neergelegd in noodverordeningen van de voorzitters van de verschillende veiligheidsregio’s.
Deze maatregelen werden echter niet door iedereen onderschreven. Een veelgehoord punt van kritiek was dat de maatregelen een vergaande inbreuk maakten op grondrechten en daarom een grondslag behoefden in een wet in formele zin. Om aan deze kritiek tegemoet te komen en de maatregelen tegen het coronavirus beter te regelen, kondigde de regering een tijdelijke corona-noodwet aan ter vervanging van de noodverordeningen van de verschillende veiligheidsregio’s. Ook deze noodwet werd echter sterk bekritiseerd. Volgens critici gaan de daarin mogelijk gemaakte maatregelen veel te ver.
De reeds getroffen maatregelen en de noodwet waren voor tegenstanders daarvan aanleiding om een kort geding tegen de Staat te beginnen. Daarin betoogden zij dat het handhaven en uitbreiden van de maatregelen onaanvaardbaar was omdat daarmee een vergaande inbreuk werd gemaakt op grondrechten. De noodverordeningen boden daar volgens hen onvoldoende grondslag voor. Ook meenden tegenstanders dat de besluitvorming van de regering ondoorzichtig was en dat de daaraan ten grondslag gelegde wetenschappelijke adviezen gebrekkig waren. Daarom moesten alle noodverordeningen met onmiddellijke ingang worden ingetrokken. Ook vroegen tegenstanders om de aangekondigde noodwet bij voorbaat onverbindend te verklaren.
De Haagse voorzieningenrechter ging hier niet in mee. Voor dit onderzoek is interessant dat hij ook in deze zaak van een inhoudelijke beoordeling afzag, althans voor zover daarin de aangekondigde corona-noodwet werd bestreden. Bepalend daarvoor was dat de wet nog niet was aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer, maar nog werd voorbereid en aangepast naar aanleiding van de kritiek op een eerder gepubliceerde ontwerptekst. Het politieke besluitvormingsproces was dus nog gaande. De voorzieningenrechter zag daarom in zoverre van een inhoudelijke beoordeling af en verwees ook hier naar de ‘op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden’ tussen de verschillende staatsorganen:
‘[Eisers] hebben gevorderd de aangekondigde Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 al op voorhand overbindend te verklaren. Die vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking. Zoals hiervoor al is overwogen, was er op het moment dat de zitting plaatsvond zelfs nog geen wetsvoorstel voor een tijdelijke wet ingediend; de vordering is daarom prematuur. Bovendien is het vaststellen van wetten in formele zin op grond van artikel 81 van de Grondwet opgedragen aan de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk, waarbij de vraag of, wanneer en in welke vorm een wet tot stand zal komen, moet worden beantwoord op grond van politieke besluitvorming en afweging van de daarbij betrokken belangen. De op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden van de verschillende staatsorganen brengt mee dat de rechter niet mag ingrijpen in deze procedure van politieke besluitvorming. Van een wet die ter beoordeling aan de (voorzieningen)rechter kan worden voorgelegd, is dus evident (nog) geen sprake.’2