Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/8.14
8.14 De aard van het begrip `Teilwert'
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347979:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
T.a.p., blz. 314.
Ta.p., blz. 243.
T.a.p., blz. 920-922.
BFH 25 juni 1985, NV 86, 22.
BFH 31 januari 1991, IV R 31/90, BStB1 1991 II, nr. 13, blz. 627-628.
W.C. Lohse/ U. Madle, Rechtsprechungsnderungen des BFH bei Ertragsteuern und Umsatzsteuer, DStR 15 mei 1992, blz. 667.
BFH 9 juni 1964, 1 38/64, StRK EStG § 6 Abs. 1 nr. 2 R. 154.
BFH 7 november 1990, I R 116/ 86, BStB1 1991 II, nr. 7, blz. 342-345.
BFH BstBl III 64, 426, 428.
Littmann/Bitz /Meincke hebben belangrijk werk verricht door het laten uitkristalliseren en beschrijven van de hiervoor aangehaalde zes kenmerken van het begrip `Teilwert'. Zonder meer helpt deze clustering bij het verwerven van inzicht in de aard en wezenlijke betekenis van het begrip 'Teilwert'.
Tot nog toe ging het in dit hoofdstuk hoofdzakelijk over de historische ontwikkeling van het begrip `Teilwerf in Duitsland, het `Teilwertvermoeden', de begrenzingen van het begrip `Teilwerf en `Teilwert' in relatie tot goed koopmansgebruik. In het vervolg van deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de aard van het begrip `Teilwerf. Dit is niet door middel van één zin duidelijk te maken, want daarvoor is het begrip veel te complex en verschillend interpreteer-baar. Volgens Tipke / Lang1 berust de waardering op bedrijfswaarde (`Teilwerf) op de volgende gedachte: de waarde van de goederen die tot het ondernemingsvermogen behoren, is wezenlijk afhankelijk van de opbrengstcapaciteit van de onderneming en ligt in een arbeidzaam, renderende onderneming hoger dan de liquidatiewaarde. Ook zijn beide auteurs van mening dat de `Teilwert' op de fiscaalrechtelijke balans overeenkomt met de dagwaarde op de handelsbalans.
Welnu, zoals eerder gememoreerd, is de `Teilwert' op te vatten als een correctiewaarde op de aanschaffingsprijs of voortbrengingskosten minus afschrijvingen. Bliimich2 gaat daarbij uit van het doel van de `Teilwert', namelijk dat de belastingplichtige niet méér belasting hoeft te betalen dan overeenkomt met de waarde van de onderneming als geheel. Doordat de `Teilwert' als ondergrens bij waarderingsvraagstukken kan worden opgevat, voorkomt dit bovendien dat een belastingplichtige door ongerechtvaardigde afwaarderingen stille reserves kan kweken. BlUrnich wijst erop dat de `Teilwert' duidelijk van de `gemeiner Wert' moet worden onderscheiden. Aangezien deze laatste waarde te vereenzelvigen is met de directe opbrengstwaarde zal de `Teilwert' veelal boven de 'gemeiner Wert' liggen.
Littmann/Bitz/Meincke3 zijn na een zorgvuldige afweging tot de slotsom gekomen dat de wettelijke definitie van het begrip `Teilwert' aan de hand van een zestal kenmerken gekarakteriseerd kan worden.
Aanschafwaarde. De Teilwert is een aanschafwaarde, dat wil zeggen een waarde welke een fictieve verkrijger bij overname van de gehele onderneming voor het desbetreffende goed zou betalen.
Dagwaarde. De Teilwert is een dagwaarde, dat wil zeggen het gaat om het waarderingsmoment op balansdatum. De `Teilwert' wordt niet achteraf (zoals bij afschrijven het geval is) vastgesteld maar op basis van een projectie van toekomstverwachtingen. Een fictieve koper zal immers bij de bepaling van de koopsom van de onderneming zoveel mogelijk rekening houden met de (toekomstige) winstcapaciteit van die bewuste onderneming.
Het begrip 'dagwaarde' kan tevens behulpzaam zijn in een situatie waarbij de bedrijfswaarde in de loop van het jaar beneden de boekwaarde is gedaald maar op balansdatum (zijnde tevens de waarderingsdatum) weer tot boven de boekwaarde is gestegen. Alsdan is er voor afwaardering beneden de boekwaarde geen plaats omdat er sprake is van een dagwaarde.
Objectieve waarde. Het gaat er bij de bepaling van de `Teilwert' niet om wat de huidige ondernemer maar wat de fictieve verkrijger voor de onderneming zou willen betalen.
Dit gegeven impliceert volgens het Bundesfinanzhof4 een objectief bedrijfswaardebegrip. Zo is afwaardering van een onroerende zaak op lagere bedrijfswaarde niet toegestaan wanneer een potentiële koper van de onderneming voornemens is om de onroerende zaken te slopen. Bij het vaststellen van de `Teilwert' gaat het niet om de intenties van een specifieke verkrijger maar om die van een verkrijger in zijn algemeenheid.
Alhoewel in de fiscale wereld verschillend wordt gedacht over een objectief waardebegrip volgt hierna een enigszins recent voorbeeld uit de jurisprudentie waaruit naar voren komt dat de `Teilwert' in ieder geval op een geobjectiveerd waardebegrip berust5. In deze casus heeft de Belastingdienst bij een ver-chroombedrijf een boekenonderzoek ingesteld. De fiscus corrigeert de winst van belanghebbende met DM 50 000 zijnde de waarde van de inhoud van de chroombaden. Een feit is dat de inhoud van de chroombaden regelmatig aan `slijtage' onderhevig is en zodoende periodiek vernieuwd moet worden. Volgens belanghebbende is de `Teilwert' van de chroombaden op nihil te stellen omdat het een fictieve verkrijger aan specialistische kennis en ervaring zal ontbreken om de baden op een adequate manier te kunnen gebruiken. Het Bundesfinanzhof wijst deze benadering echter af met de motivering dat het bij de `Teilwert' om de objectieve verhoudingen gaat binnen de onderneming en niet om de persoonlijke omstandigheden, intenties, kwaliteiten en prijsideeën van de eigenaar van de onderneming. Een 'te lage waardering' (Unterbewertung) van een goed op persoonlijke gronden is volgens het Bundesfinanzhof ongerechtvaardigd en leidt tot het willekeurig scheppen van stille reserves.
Lohse en Madle6 zijn van mening dat het Bundesfinanzhof 'om' is gegaan en daarbij terugkomt op een uitspraak van 9 juni 1964, I 38/ 647 waarin in een identieke situatie (bij een galvaniseringsbedrijf) afwaardering van de chroombaden op een Teilwert van 0 DM werd toegestaan omdat het gehele bedrijfsproces afhankelijk was van de persoonlijke kwaliteiten van de ondernemer.
Na dit korte intermezzo terug naar Littmann/Blitz/ Meincke en hun ideeën over het vaststellen van een objectieve waarde. De auteurs illustreren hun standpunt onder andere aan de hand van een uitspraak van de Bundesfinanzhof van 7 november 19908, waarbij het de afwaardering van een deelneming op lagere `Teilwert' door een bank betreft. Het Bundesfinanzhof overweegt letterlijk: `Der Teilwert ist jedoch een objectever Wert, der nicht auf der persOnlichen Auffassung des einzelnen Kaufmanns ober die zukiinftige wirtschaftliche Entwicklung, sondern auf einer allgemeinen WerteinschMzung beruht, wie sie in der Marktlage am Bilanzstichtag ihren Ausdruck findet (vgl. BFH-Urteil vom 26. Januar 1956 IV 566/54 U, BFHE 62, 305, BStB1 III 1956, 113). Entscheidend ist allein der objective Wert der Beteiligung am Bilanzstichtag'
Geschatte waarde. Indien een fictieve verkrijger en een fictieve overname van de onderneming als uitgangspunt genomen worden, kan de `Teilwert' alleen door middel van schatting tot stand komen, dat wil zeggen de `Teilwert' is geen eenmalige absolute waarde. Veeleer is er sprake van een bepaalde waarderingsmarge, of anders uitgedrukt, van een bepaalde bandbreedte waarbinnen verschillende waarderingsbedragen acceptabel zijn. Redenerend vanuit de definitie van het begrip `Teilwert' dient een situatie nagebootst te worden waarin de ondernemer en de fictieve verkrijger onderhandelen over de overnameprijs van de onderneming. Uit dit krachtenspel komt vervolgens een bepaalde waarde naar voren. In het geval van een gerechtelijke procedure zijn de vrije bewijsleer en het vaststellen van de feiten de belangrijkste elementen bij de schatting van de `Teilwert". Maar ook de opgedane ervaringen uit de interne verhoudingen binnen de onderneming zijn doorslaggevend bij de waardevaststelling9
Desondanks gaat de vaststelling van de bedrijfswaarde in de praktijk met vele onzekerheden gepaard. Niet voor niets heeft het volgende gezegde zijn weg gevonden in de Duitse fiscale rechtspraktijk: `Teilwert ist der Betrag, auf den sich Steuerpflichtige und Betriebsprfer der Finanzverwaltung einigen'.
Betriebsteilwert: Essentieel voor de `Teilwert' is dat niet het individuele te waarderen activum van eigenaar wisselt maar de gehele onderneming (`Betriebsinhaberwechsen. Steeds dient de waarde van het goed bezien te worden vanuit het toebehoren tot de onderneming in zijn geheel. Dit betekent dat bij een daling van de marktwaarde (kort na ingebruikname van een bedrijfsmiddel) geen dienovereenkomstige verlaging van de `Teilwert' hiervan het gevolg is.
Going-concernwaarde. De `Teilwert' is te beschouwen als een going-concernwaarde en niet als een liquidatiewaarde. De wettelijke definitie van dit begrip gaat immers uit van de fictieve voortzetting van de onderneming.10