Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.2.3
8.2.3 De beschermde rechtspositie van de koper
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397341:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Bartels 1997, p. 83-84, Jansen 2001, p. 288-289, Snijders 2006, p. 226, Struycken 2007, p. 557, Faber 2007, p. 49, Steneker 2012, nr. 38, Reehuis 2013, nr. 78, Wibier 2013, p. 287, Spath 2014, p. 379, Nieuwesteeg 2015, p. 168 en Kok 2015, p. 687-688 alwaar steeds de beschermde of sterke positie van de koper voorop wordt gesteld en vervolgens de vraag wordt behandeld hoe deze positie nader gekwalificeerd moet worden. Vgl. ook de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), die voorafgaand aan haar analyse de beschermde positie van de koper in punt 2.25 voorop stelt.
Stolz 2015, p. 1043-1044.
BGH 5 januari 1955, NJW 1955, 544, nadien veelvuldig herhaald, bijvoorbeeld in BGH 18 december 1967, NJW 1968, 493 en BGH 30 april 1982, NJW 1982, 1639. Zie uit de literatuur Schwerdtner 1980, p. 613, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 48-49 en Staudinger/Bork 2015, Vorbem zu §§ 158 ff BGB, Rn. 53.
BGB-RGRK/Steffen 1982, § 161 BGB, Rn. 4, Staudinger/Bork 2015, § 161 BGB, Rn. 9 en MünchKomm- BGB/Westermann 2015, § 161 BGB, Rn. 12-14. De beschermde rechtspositie van de verkrijger onder opschortende voorwaarde is dus niet zozeer een gevolg van de omstandigheid dat de beschikking reeds tot stand is gebracht, maar zonder werking is gebleven, maar van de wetsduiding van § 161 BGB. Aldus expliciet BGH 30 mei 1958, NJW 1958, 1286.
Zie hiervoor in voetnoot 22.
Zie bijv. Van Boom 2017, p. 417 die de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde en de beschermde positie (in het bijzonder de faillissementsbestendigheid) van de koper voorop stelt en vervolgens het arrest HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser) bekritiseert, waarbij hij voorbijgaat aan de omstandigheid dat de beschermde positie van de koper en de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde – ondanks het feit dat het geding was toegesneden op de beschikkingsvraag – strikt genomen afhangen van de in dat arrest beslechte rechtsvraag.
Ook in de Nederlandse literatuur wordt veelal de beschermde rechtspositie van de koper tot uitgangspunt genomen, om vervolgens te onderzoeken hoe deze positie nader gekwalificeerd moet worden en of de koper ook over deze ‘beschermde rechtspositie’ reeds voor vervulling van de voorwaarde kan beschikken.1 Aangezien de eigendomsverkrijging uitsluitend nog afhankelijk is van de vervulling van de voorwaarde, zou sprake zijn van een goederenrechtelijk gesecureerde eigendomsverwachting. Meer recent is door Stolz betoogd dat de mogelijkheid om te kunnen beschikken over een recht uit hoofde van een voorwaardelijke overdracht (uitsluitend) zou moeten afhangen van de vraag of iemand een beschermde rechtspositie heeft, welke vraag hij voor de koper onder eigendomsvoorbehoud bevestigend beantwoordt.2 Deze benadering is duidelijk geïnspireerd door het Duitse recht, waarin van een Anwartschaftsrecht wordt gesproken indien ‘von einem mehraktigen Erwerbstatbestand schon so viele Erfordernisse erfüllt sind, daû von einer gesicherten Rechtsstellung des Erwerbers gesprochen werden kann, die der Veräuûerer nicht mehr einseitig zu zerstören vermag.’3
Zoals hiervoor aan de orde kwam, is daarvan naar Duits recht sprake bij een overdracht onder opschortende voorwaarde, omdat § 161 BGB bewerkstelligt dat de vervreemder de positie van de verkrijger niet meer eenzijdig kan frustreren. § 161 (1) BGB bepaalt namelijk dat beschikkingen door de vervreemder gedurende de periode van onzekerheid, behoudens derdenbescherming, bij het intreden van de voorwaarde ongeldig zijn, voor zover zij de eigendomsverkrijging zouden verhinderen of nadelig zouden beïnvloeden. Onder tussenbeschikkingen vallen niet uitsluitend vervreemdingen door de verkoper gedurende de periode van onzekerheid, maar ook beschikkingen door de curator van de vervreemder of door diens schuldeisers bij wijze van executie.4 Aldus is de goederenrechtelijke werking ten opzichte van derden gewaarborgd: zodra de voorwaarde in vervulling gaat, zijn alle tussentijdse beschikkingen ongeldig, zodat zij niet aan de eigendomsverkrijging door de koper in de weg kunnen staan. Naar Duits recht staat daarmee vast dát de koper een beschermde rechtspositie heeft. Vanuit dat uitgangspunt is de rechtspositie van de koper in de loop der tijd vervolgens als Anwartschaftsrecht gekwalificeerd en is aangenomen dat hij over dat recht kan beschikken.5
Tegen de achtergrond van het voorgaande komt de typering van de positie van de koper als beschermd gedurende de periode van onzekerheid voor het Nederlandse recht neer op een petitio principii.6 De positie van de koper is namelijk pas beschermd indien de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde is gewaarborgd. Hoewel naar Nederlands recht buiten kijf staat dát vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking heeft, neemt dat niet weg dat daarvoor een verklaring moet worden gegeven, alvorens aan de goederenrechtelijke werking ook bepaalde consequenties kunnen worden verbonden voor de rechtspositie van de koper gedurende de periode van onzekerheid. De beschermde rechtspositie van de koper kan dan ook niet als verklaring voor de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde worden aangedragen, omdat aldus geredeneerd wordt aan de hand van hetgeen nog bewezen moet worden.