Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/3.3.4.2
3.3.4.2 Artikel 23 Fw en het fixatiebeginsel
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686145:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De dag van de faillietverklaring daaronder begrepen aldus artikel 23 Fw.
Voor een groot aantal handelingen heeft de curator de voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris nodig. Zie voor een niet-limitatieve opsomming artikel 68 lid 2 Fw De rechter-commissaris houdt, blijkens artikel 64 Fw, toezicht op het beheer en de vereffening van de boedel door de curator.
Een uitzondering op deze regel is neergelegd in artikel 24 Fw: de boedel is wel gebonden aan verbintenissen van de schuldenaar ontstaan na faillissementsdatum, voor zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat.
Zie nader hierover Rijckenberg 2009 en Van Zanten 2012, p. 19 e.v.
Het beginsel wordt ook verder uitgewerkt in bijvoorbeeld artikel 35 Fw. Vgl. Van Boom 2018, p. 73 e.v.
Aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424 (Credit Suisse).
Vgl. Rijckenberg 2009, p. 132.
Vgl. A-G Snijders in zijn conclusie d.d.2 juli 2021 ECLI:NL:PHR:2021:668: “Het fixatiebeginsel beschermt dus de aanspraak van de schuldeisers op de opbrengst van de activa van de boedel en op de onderlinge gelijkheid bij de verdeling daarvan.”
Zie voor jurisprudentie van de Hoge Raad waarin het fixatiebeginsel ter sprake komt o.a.: HR 31 december 1909, W. 8957, HR 5 januari 1923, NJ 1923/359 (Petkovic/Modderman q.q.), HR 4 februari 1977, NJ 1987/66 (Dreyfus/Keulen q.q.), HR 18 december 1987, NJ 1988/340 (OAR/ABN), HR 17 februari 1995, NJ 1996/471 (Mulder q.q./CLBN), HR 26 juni 1998, NJ 1998/745 (Aerts q.q./ABN AMRO) en HR 23 maart 2018, NJ 2018/290 (Credit Suisse/Jongepier q.q.). In de Parlementaire Geschiedenis wordt onder meer over het fixatiebeginsel gesproken: Van der Feltz II 1994, p. 126 en p. 143.
Vgl. HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:80 (FloraHolland/Wittekamp q.q.) onder r.o. 3.2.1: “Op grond van art. 24 Fw is de boedel niet aansprakelijk voor verbintenissen van de schuldenaar die na de faillietverklaring zijn ontstaan, behalve voor zover de boedel ten gevolge daarvan is gebaat. Aldus beogen het fixatiebeginsel en de art. 20, 23 en 24 Fw aan de schuldeisers bescherming te bieden zowel tegen een vermindering van het actief van de boedel dat in het faillissement voor verdeling onder de schuldeisers beschikbaar is, als tegen een vermeerdering van het passief van de boedel waardoor de uitkering in het faillissement voor de schuldeisers lager wordt.”
Een andere bepaling in de Faillissementswet die zorgt dat er meer terecht komt van de gelijke behandeling van schuldeisers is artikel 23 Fw. Artikel 23 Fw bepaalt dat de schuldenaar vanaf de faillietverklaring1 de beschikking en het beheer over het tot het faillissement behorende vermogen verliest. Vanaf dat moment is de curator bevoegd2 om over dat vermogen te beschikken.3 Deze bepaling voorkomt dat de schuldenaar de gelijke behandeling kan doorkruisen door een bepaalde schuldeiser, op objectief niet gerechtvaardigde gronden, nog wel te voldoen en de overige schuldeisers niet.
Het fixatiebeginsel,4 dat mede5 in art. 23 Fw tot uitdrukking komt, houdt in dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet te zijnen gunste mag worden gewijzigd.6 De rechten en verplichtingen van de bij de boedel betrokkenen worden onveranderlijk. De fixatie van het actief en van het passief dient ertoe het kerndoel van het faillissement – verdeling van het vermogen met handhaving van de paritas creditorum – te verwezenlijken.7 Het beginsel beschermt de onderlinge gelijkheid van de schuldeisers bij de verdeling.8 Het fixatiebeginsel komt – naast in het genoemde artikel 23 Fw – onder meer tot uitdrukking in artikel 24 Fw waarin is bepaald dat de boedel niet aansprakelijk is voor verbintenissen van de schuldenaar die na faillietverklaring ontstaan, tenzij de boedel ten gevolge daarvan is gebaat.9 Zo wordt bereikt dat het passief niet verder toeneemt.10