Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3:7.3 De eisen die art. 3:296 BW stelt
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3
7.3 De eisen die art. 3:296 BW stelt
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692239:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
303. In dit hoofdstuk zet ik uiteen wat de voorwaarden zijn voor toewijzing van een vordering strekkende tot het opleggen van een bevel of verbod. Daarbij zijn er wel enige verschillen aan te wijzen tussen de vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst enerzijds en een vordering strekkende tot een bevel of een verbod wegens een (dreigende) onrechtmatige daad anderzijds. Op hoofdlijnen volgen uit de wettekst van art. 3:296 lid 1 BW de volgende voorwaarden die vervuld moeten zijn voordat de rechter een bevel of een verbod kan uitspreken:
dreigende schending van een rechtsplicht;
het verbod of bevel moet worden gevorderd;
door een “ander”;
jegens wie de aangesprokene verplicht is iets te geven, te doen of na te laten;
“daartoe” – de congruentie-eis.
304. Een minstens zo belangrijke rol speelt het bepaalde in art. 3:303 BW: degene die het verbod of bevel vordert, dient daarbij een voldoende belang te hebben. Mijns inziens is het dit belang-vereiste dat in sterke mate wordt ingekleurd door de vraag of er een reële dreiging is van schending van de rechtsplicht. Die reële dreiging kan echter ook als zelfstandige voorwaarde voor oplegging van een bevel of verbod worden gezien.
7.3.1 Dreigende schending van een rechtsplicht – reële dreiging vereist7.3.2 “Op vordering van”7.3.3 “Hij die jegens een ander” – algemeen7.3.4 “Hij die jegens een ander” – relativiteit7.3.5 Doel van het relativiteitsvereiste7.3.6 Het relativiteitsvereiste en het bevel en verbod7.3.7 Een andere rol voor het relativiteitsvereiste bij het rechterlijk bevel en verbod?7.3.8 De contractuele relativiteit en het bevel en verbod