Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.3.6.6
3.4.3.6.6 De aanvaarding in het fiscale strafrecht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565035:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Brouns 2006, p. 941: “Het gaat om de vorming van de wil onder invloed van dit weten. Uiteindelijk is het strafrecht niet geïnteresseerd in het weten van de verdachte, maar in wat verdachte bij en met dit weten heeft gedaan.”
De opmerking van Wattel in Wattel 1989, p. 126, dat wij de kans dat onze aangifte niet blijkt te kloppen allemaal aanvaarden, omdat zelfs een geverseerde fiscalist de belastingwetgeving niet meer kan overzien lijkt voort te komen uit een cognitieve benadering. Zo ook Valkenburg 2003, p. 2263.
Vergelijk De Hullu 2015, p. 241-242. Anders: Van Houte 1987, p. 139-141 en daarvoor S.C. de Lange en S. de Wit die in Kort begrip van het fiscaal strafrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 52-55 – naar mijn mening ten onrechte – meenden dat bewuste schuld en voorwaardelijk opzet moeilijk waren te onderscheiden omdat het opzet niet was gericht op het gevolgbestanddeel.
HR 25 maart 2003, NJ 2003/552, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, r.o. 3.6.
Y. Buruma in zijn noot onder NJ 2003/552, punt 5; De Jong, Van Roomen en Sikkema 2007, p. 955-956.
Hof ’s-Hertogenbosch 6 januari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AU9261, r.o. K3 en P2 (cassatieberoep verworpen; HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977). Niet expliciet zo overwogen: Hof ’s-Hertogenbosch 13 oktober 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9995, r.o. B4.
Hof Arnhem 24 juni 2008, aangehaald door A-G Silvis in een conclusie van 9 november 2010, ECLI:NL:PHR:2011:BO4512, r.o. 36-37; Rb. Utrecht 26 juni 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ2558, r.o. 4.2; Hof ’s-Hertogenbosch 13 oktober 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9995, r.o. B5; Hof ’s-Gravenhage 20 februari 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6585; A-G Vegter, conclusie van 6 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2327, r.o. 6.4.-6.6.
In Reb. Oost-Brabant 13 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4422; Rb. Oost-Brabant, 22 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6490, is de onderbouwing gebruikt bij een standpunt waarvan op het eerste gezicht niet duidelijk is dat het onjuist kan zijn. Hof ’s-Hertogenbosch heeft in verband met het laatstgenoemde vonnis bij uitspraak van 23 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3755, in r.o. 3 opgemerkt dat de eis dat het op de weg van de belastingplichtige had gelegen om advies bij een onafhankelijke deskundige in te winnen niet kan worden gesteld. Naar mijn mening is bij een standpunt waarvan op het eerste gezicht niet duidelijk is dat het onjuist is bovendien niet uit te sluiten dat de belastingplichtige zijn standpunt niet heeft geverifieerd omdat hij ervan uit is gegaan dat zijn standpunt toch wel juist is.
Vergelijk Rb. ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2007, ECLI:NL:RBSHE:2007:BB4747 (overweging in verband met onjuistheid als gevolg van het niet opgeven van bankrekeningen). M.W.C. Feteris in zijn noot onder BNB 2004/75 onder 14, G.J.M.E. de Bont, ‘Aangifte doen in een conflictsituatie’, Belastingbrief 2008/04, p. 1.
Op grond van het voorgaande gaat het in het fiscale strafrecht niet alleen om de vraag of de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van de aangifte bewust is geweest van de mogelijk onjuiste aangifte, maar ook om de vraag, zo vertaal ik de zojuist besproken jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad, wat hij heeft verondersteld toen hij besloot de kans op een onjuiste aangifte te nemen.1 Uit het toch indienen van een aangifte waarvan de belastingplichtige heeft geweten dat deze mogelijk onjuist is, kan wel worden afgeleid dat hij de kans op het doen van een onjuiste aangifte heeft genomen, maar niet per definitie dat hij deze kans ook heeft aanvaard.2Een aangifte kan zijn ingediend, terwijl de belastingplichtige ervan uitging dat de aangifte toch wel juist zou zijn. In dat geval kan er uitsluitend sprake zijn van bewuste schuld. Dit onderscheid is moeilijk te maken en nog moeilijker te bewijzen. Dat ligt echter niet zozeer aan de delictsomschrijvingen in het fiscale strafrecht, maar aan het begrip voorwaardelijk opzet.3
Evenals voor het weten dat de aangifte onjuist is, geldt voor het daadwerkelijk aanvaarden dat, als de verklaringen van de belastingplichtige zelf geen inzicht geven in de aanvaarding, de aanvaarding op een andere wijze kan worden onderbouwd. De strafkamer van de Hoge Raad heeft in het eerste HIV-arrest overwogen dat in dat geval de aard van de veroorzakende handeling en de omstandigheden waaronder deze is verricht van belang zijn. Bepaalde handelingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.4 Anderzijds zullen er ook handelingen zijn waarbij het, omdat die handelingen doorgaans juist niet zijn gericht op een bepaald gevolg, niet voor de hand ligt dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.5
In de fiscale strafjurisprudentie is het voorgaande niet vaak terug te vinden. Meestal wordt overwogen dat de aanmerkelijke kans bewust is aanvaard, zonder dat aan de aanvaarding een aparte overweging is gewijd. Een uitzondering hierop vormt een arrest van de strafkamer van Hof ’s-Hertogenbosch.6 In deze zaak waren valse stukken gebruikt en was informatie over een belastingbesparende constructie achtergehouden, terwijl het de belastingplichtige duidelijk was of moest zijn dat de nagestreefde belastingbesparing niet kon worden bereikt als de inspecteur de beschikking zou hebben over alle relevante informatie. Het hof overwoog dat deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een onjuiste aangifte, dat het niet anders kan zijn dan dat de belastingplichtige de aanmerkelijke kans op die onjuiste aangifte heeft aanvaard.
Daarnaast is in de fiscale strafjurisprudentie, nadat is vastgesteld dat de verdachte belastingplichtige wist dat er een aanmerkelijke kans was dat de aangifte als gevolg van een daarin opgenomen standpunt onjuist was, de aanvaarding onderbouwd met de overweging dat niet is geverifieerd, bij de inspecteur of op andere wijze, of dat standpunt juist is.7 Deze overweging is echter voornamelijk gebruikt bij standpunten waarvan op het eerste gezicht duidelijk is dat ze niet juist kunnen zijn.8
Hier staat overigens tegenover dat het voorleggen van een standpunt aan de inspecteur een contra-indicatie voor de aanvaarding kan vormen.9