Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.3.6.4
3.4.3.6.4 De bewustheid in het fiscale straf- en boeterecht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571174:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR (belastingkamer) 21 mei 1952, B. 9225; HR (belastingkamer) 19 oktober 1977, BNB 1978/ 53; HR (belastingkamer) 14 maart 1979,BNB 1979/118: “… dat zij immers impliceert dat belanghebbende, toen hij zijn aangifte deed, niet wist dat de door hem ontvangen vergoeding tot zijn belastbaar inkomen behoorde hoedanige wetenschap voor opzet is vereist.”; HR (belastingkamer) 7 september 1988, BNB 1988/319, r.o. 4.4; HR (belastingkamer) 11 oktober 2002, BNB 2003/4, ECLI:NL:HR:2002:AE8730, r.o. 3.3; HR (belastingkamer) 3 december 2010, BNB 2011/59, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.6.1.
HR (strafkamer) 20 juni 2006, NJ 2006/358, ECLI:NL:HR:2006:AV8241, r.o. 3.4.
HR (belastingkamer) 2 oktober 1991, BNB 1991/323, r.o. 3.1; HR (belastingkamer) 31 januari 2003, BNB 2003/124, ECLI:NL:HR:2003:AE8092, r.o. 3.3 (een arrest in verband met kwade trouw); HR (belastingkamer) 13 februari 2004, BNB 2004/160, ECLI:NL:HR:2004:AO3643, r.o. 3.1 (een arrest in verband met kwade trouw); HR (belastingkamer) 29 februari 2008, BNB 2008/156, ECLI:NL:HR:2008:BC5346, r.o. 3.7.2 (in deze zaak handelde het niet om een onjuiste aangifte, maar om onjuiste belastingheffing omdat was nagelaten om aangifte te doen); HR (belastingkamer) 3 december 2010, BNB 2011/59, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.6.1; HR (belastingkamer) 30 september 2011, BNB 2012/13, ECLI:NL:HR:2011:BT5846, r.o. 3.2 (een arrest in verband met kwade trouw).
Ter illustratie Hof ’s-Hertogenbosch (strafkamer) 27 november 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9424, r.o. F.1.6; Hof ’s-Hertogenbosch (strafkamer) 4 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5081, over het opzet op de onjuistheid in verband met de fiscale woonplaats; Hof Arnhem (belastingkamer) 22 oktober 2009, ECLI:NL:GHARN:2009:BK6509, r.o. 4(6) io. 4.1.2; Hof Amsterdam (belastingkamer) 13 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3044, r.o. 4.8.
HR (belastingkamer) 13 juli 2001, BNB 2001/325, ECLI:NL:HR:2001:AB2596, r.o. 3.3 (een arrest in verband met kwade trouw); HR (belastingkamer) 3 december 2010, BNB 2011/59, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.4.1 (overweging in verband met kwade trouw), herhaald in HR (belastingkamer) 30 september 2011, BNB 2012/13, ECLI:NL:HR:2011:BT5846, r.o. 3.2 (een arrest in verband met kwade trouw); HR (belastingkamer) 31 mei 2013, BNB 2013/192, ECLI:NL:HR:2013:BY7673, r.o. 3.2 (een arrest in verband met kwade trouw).
Toch worden dergelijke overwegingen zowel in het strafrecht als in het fiscale boeterecht ten onrechte nog wel eens bij voorwaardelijk opzet gebruikt. De Hullu 2015, p. 285 merkt in noot 477 op dat de HR een verkeerde keuze (van overweging, MK) regelmatig als een kennelijke schrijffout ziet. Zie in de fiscale boetejurisprudentie bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 30 maart 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BA2134, r.o. 4.6; Hof Arnhem 22 december 2009, ECLI:NL: GHARN:2009:BK8683, r.o. 4.4.1.
HR (strafkamer) 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2472, r.o. 2.5. en 3.4; HR (strafkamer) 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2954, r.o. 2.3.
Ik veronderstel dat deze relatie in HR (belastingkamer) 12 september 2003, BNB 2004/75, ECLI:NL:HR:2003:AE4480, r.o. 3.4 volgens de HR niet aanwezig was. Hoewel sprake was van geantedateerde overeenkomsten (valsheid in geschrifte als onderliggende normovertreding), was niet de antedatering van deze overeenkomsten, maar de onjuiste (maar pleitbare) juridische opvatting de oorzaak van de onjuiste belastingheffing.
Hof ’s-Hertogenbosch (strafkamer) 6 januari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AU9261, r.o. K1 (cassatieberoep verworpen; HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8977); Rb. Zutphen (sector straf) 5 juli 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BR0343; Rb. Dordrecht (sector straf) 6 maart 2012, ECLI:NL:RBDOR:2012:BV8599; Rb. Midden-Nederland (sector straf) 18 april 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1493, r.o. 4.3.
Bijvoorbeeld Hof Amsterdam (belastingkamer) 7 september 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7041, r.o. 5.7; Hof Arnhem (belastingkamer) 9 februari 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AV6382, r.o. 4.11; Hof Amsterdam (belastingkamer) 23 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BP6147, r.o. 4.10.2.2; Hof Arnhem (belastingkamer) 15 februari 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BP5779, r.o. 4.6; Hof Leeuwarden (belastingkamer) 11 oktober 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BT7472, r.o. 4.9-4.10 (een uitspraak in verband met kwade trouw); Hof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3787, r.o. 4.22.
HR (belastingkamer) 15 oktober 2010, BNB 2011/9, ECLI:NL:HR:2010:BO0404, r.o. 3.3.
In de uitspraak na verwijzing van Hof ’s-Gravenhage 13 mei 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5008, r.o. 7.1 werd geoordeeld dat er geen sprake was van opzet. De reden hiervoor kan zijn gelegen in de reactie van de inspecteur na verwijzing die zich, zonder enige nadere onderbouwing van de bewustheid, beperkte tot bevindingen uit een boekenonderzoek over eerdere (niet in geschil zijnde) jaren en de schending van de bewaarplicht.
HR (strafkamer) 30 oktober 1984, NJ 1985/320, r.o. 7.1; HR (strafkamer) 28 januari 1986, FED 1988/34, r.o. 12; HR (belastingkamer) 28 juni 2013, BNB 2013/207, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.11.3. P.J. Wattel in Wattel 1989, p. 131, en G.J.M.E. de Bont in De Bont 2002, p. 7, bekritiseren het vaststellen van de bewustheid door middel van regels van algemene bekendheid.
A-G Aben, 8 juni 2010, ECLI:NL:PHR:2010: BM8062, overweging 6.8.
De Jong en Sikkema 2011, p. 413-414, anders: G.J.M.E. de Bont, ‘Een onderzoeksplicht voor de belastingadviseur?’, in: G.J.M.E. de Bont (red.), De belastingadviseur onder vuur, Amsterdam 2015, p. 30-31.
Zie voor de uitzondering: Hof Amsterdam (belastingkamer) 24 september 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ9560, r.o. 5.8; Hof ’s-Hertogenbosch (strafkamer) 21 september 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BN8339, r.o. D.6.2.
Anders: A-G Vellinga, conclusie van 13 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8783, r.o. 21-24.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (belastingkamer) 14 november 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2568, r.o. 2.5.2 (een uitspraak in verband met kwade trouw; Hof Arnhem (strafkamer) 24 juni 2008, aangehaald door A-G Silvis, 9 november 2010, ECLI:NL:PHR:2011:BO4512, r.o. 36-37.
Uiteraard vormt ook in het fiscale straf- en boeterecht het daadwerkelijk weten dat de aangifte onjuist is een vereiste voor opzet.1 Voor voorwaardelijk opzet moet de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van de aangifte daadwerkelijk bewust zijn van de aanmerkelijke kans dat de belastingaangifte onjuist is.23
Zoals in de vorige paragraaf opgemerkt kan het weten worden onderbouwd door interpretatie van het door de belastingplichtige vertoonde gedrag. In dit kader wordt in de fiscale straf- en boetejurisprudentie bij volwaardig opzet de overweging gebruikt dat de belastingplichtige (ten tijde van het doen van de aangifte) moet hebben geweten dat zijn aangifte onjuist is, of bij voorwaardelijk opzet dat de belastingplichtige (ten tijde van het doen van de aangifte) moet hebben geweten van de aanmerkelijke kans dat zijn aangifte onjuist is.4 Het oordeel dat een belastingplichtige had moeten weten dat de belastingaangifte onjuist of onvolledig is, is voor opzet onvoldoende.5 Deze overweging geeft immers impliciet aan dat de belastingplichtige zich er niet daadwerkelijk van bewust is geweest dat zijn aangifte mogelijk onjuist is.6
Met name handelingen of normovertredingen die tot de onjuiste belastingaangifte hebben geleid en de geestesgesteldheid waaronder zij zijn verricht of begaan kunnen, zoals eerder opgemerkt, aanwijzingen bevatten dat de belastingplichtige zich ervan bewust is geweest dat de aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Daarbij moet uiteraard wel zijn vastgesteld dat de onjuiste belastingaangifte het gevolg is van zo’n handeling of normovertreding.78
Zo kan het bewijs dat de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van de aangifte bewust is geweest van de (kans op een) onjuiste belastingaangifte worden afgeleid uit de omstandigheid dat de onderliggende handeling of normschending een handeling of normschending is geweest die per definitie bewust wordt verricht of plaatsvindt. Deze wijze van bewijsvoering is terug te vinden in zaken waarin de belastingplichtige de administratie heeft gebaseerd op door hem geproduceerde valse stukken of waarin de belastingplichtige de administratie- of bewaarplicht op grove wijze, bijvoorbeeld door het stelselmatig achterwege laten van boekingen, heeft geschonden en de aangifte vervolgens toch op grond van die onjuiste administratie heeft ingediend.910
Onder deze omstandigheden moet de belastingplichtige zich bewust zijn geweest van de schending van de administratie- of bewaarplicht en daarmee ook van de onjuistheid van de op die administratie gebaseerde belastingaangifte.
Dit neemt niet weg dat de belastingkamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de administratie- en bewaarplicht zijn geschonden, op zich nog niet meebrengt dat er sprake is van opzet.11 Ik beschouw dit arrest echter als een vingerwijzing dat de vaststelling van het opzet, ook als de wetenschap dat de aangifte (mogelijk) onjuist is op grond van feiten en omstandigheden voor de hand ligt, nog steeds voldoende moet worden gemotiveerd.12
Zoals hiervoor opgemerkt, is de kans op een onjuiste aangifte door de ingewikkeldheid van het belastingrecht snel aanwezig. Dat wil echter nog niet zeggen dat de belastingplichtige zich er steeds van bewust moet zijn geweest dat zijn interpretatie of toepassing van het belastingrecht en daarmee zijn aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Voor die bewustheid is in de eerste plaats de kennis van de belastingplichtige van het belastingrecht van belang. Daarnaast kan de bewustheid van de belastingplichtige zijn beïnvloed door de omstandigheid dat de belastingplichtige zijn aangifte heeft gebaseerd op een advies van zijn gemachtigde. Aan de ene kant kan de belastingplichtige ervan uit zijn gegaan dat het belastingrecht door zijn gemachtigde bij zijn advisering zonder meer juist is geïnterpreteerd en toegepast, zodat bewustheid dat de op het advies gebaseerde aangifte mogelijk onjuist is, heeft ontbroken. Aan de andere kant kan de belastingplichtige er door zijn gemachtigde op zijn gewezen dat het belastingrecht in zijn advies op mogelijk onjuiste – maar bij een bona fide gemachtigde pleitbare – wijze is geïnterpreteerd of toegepast. In dat geval is de bewustheid dat de op het advies gebaseerde aangifte mogelijk onjuist is dankzij de gemachtigde opgekomen.
In het fiscale straf- en boeterecht wordt het oordeel dat de belastingplichtige zich bewust moet zijn geweest van de onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht niet vaak onderbouwd met het argument dat de juiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht van algemene bekendheid was, hoewel het wel is voorgekomen.13 Voor deze wijze van bewijsvoering is in ieder geval minder plaats, zoals A-G Aben terecht heeft opgemerkt, naarmate de feiten en naar mijn mening uiteraard ook het recht complexer zijn.14
Het uitblijven van onderzoek naar de juiste toepassing en interpretatie van het belastingrecht is zowel in de fiscale straf- als in de fiscale boetejurisprudentie niet vaak ten behoeve van de onderbouwing van het voorwaardelijk opzet gebruikt.1516 Dit ligt als het gaat om de vaststelling van de bewustheid wat mij betreft ook niet voor de hand. Immers, met de overweging dat de belastingplichtige had moeten onderzoeken of het recht wel juist is geïnterpreteerd of toegepast, kan niet worden uitgesloten dat de belastingplichtige daadwerkelijk niet wist dat het recht mogelijk onjuist is geïnterpreteerd of toegepast.17
Overwegingen over het achterwege blijven van onderzoek naar interpretatie of toepassing van het recht kunnen, nadat is vastgesteld dat de belastingplichtige zich ten tijde van het doen van de aangifte van de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte bewust is of bewust moet zijn geweest, wel dienen om de voor voorwaardelijk opzet benodigde aanvaarding te onderbouwen.18 In de paragrafen 3.4.3.6.6 en 3.4.3.6.7 wordt hier op teruggekomen.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft steeds geoordeeld dat opzet bij een pleitbaar standpunt zonder meer afwezig is, ongeacht of de belastingplichtige zich er ten tijde van het doen van de aangifte bewust van is geweest dat zijn aangifte onjuist of mogelijk onjuist is. Hierdoor is tot nu toe in het fiscale boeterecht uitsluitend opzet vastgesteld in situaties waarin bewust een standpunt over interpretatie of toepassing van het belastingrecht is ingenomen dat niet pleitbaar is. Toch kan ik wel het een en ander opmerken over de vaststelling van die bewustheid.
Het tweede vereiste voor voorwaardelijk opzet is vervuld als een belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte heeft geweten (of moet hebben geweten) dat zijn aangifte mogelijk onjuist is. Uit de omstandigheid alleen dat een standpunt naar objectieve maatstaven pleitbaar is, kan niet worden afgeleid dat de belastingplichtige zich ervan bewust is geweest dat zijn aangifte mogelijk onjuist is. Het gaat immers om het individuele weten dat de aangifte mogelijk onjuist is. Hetgeen hiervoor is opgemerkt over de vaststelling van het weten dat de interpretatie of toepassing van het belastingrecht mogelijk onjuist is, geldt derhalve ook als die onjuiste interpretatie of toepassing objectief pleitbaar is. De belastingplichtige kan, ondanks de omstandigheid dat het standpunt slechts objectief pleitbaar is, in de veronderstelling hebben verkeerd dat zijn aangifte gewoonweg juist was. In dat geval kan niet worden gesproken van voorwaardelijk opzet. De omstandigheid dat het standpunt naar objectieve maatstaven pleitbaar is, sluit overigens ook niet uit dat de belastingplichtige in de veronderstelling heeft verkeerd dat zijn aangifte gewoonweg onjuist was.
Een belastingplichtige die ten tijde van het doen van zijn aangifte echter wist of meende te weten een pleitbaar standpunt te hebben ingenomen, moet zich ook bewust zijn geweest van de mogelijke onjuistheid van zijn standpunt en daarmee van zijn aangifte. Deze bewustheid hoeft nog niet in te houden dat de belastingplichtige voorwaardelijk opzet heeft gehad. Daarvoor is immers ook nog aanvaarding van de aanmerkelijke kans vereist.