Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1
4.3.1 Niet-betaling als grond voor teruggaaf
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS498149:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Als reactie op de internetconsultatie hebben enkele respondenten verzocht om te verduidelijken of het (destijds beoogde) art. 92 lid 1 Wbm op dezelfde situaties doelt als het art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (vanaf 2017). Hierover was enige onduidelijkheid, omdat in de voorgestelde tekst van art. 29 lid Wet OB 1968 was gekozen voor aansluiting bij de bewoordingen van de Btw-richtlijn (‘niet-betaling’), terwijl in de Wbm de tekst van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017) werd gehanteerd (‘voor zover dat bedrag (lees: de vergoeding) niet is en niet zal worden ontvangen’). De staatssecretaris van Financiën reageerde hierop door te overwegen dat art. 92 lid 1 Wbm ziet op de vermindering van belasting voor oninbare vorderingen en dat de regeling in zoverre overeenkomstig de vergelijkbare regeling in de btw is. Uit deze overweging maak ik op dat ‘niet-betaling’ en ‘voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen’ volgens de wetgever dezelfde betekenis toekomt. Ik verwijs naar het Verslag internetconsultatie belastingteruggaaf oninbare vorderingen, zoals gepubliceerd op www.internetconsultatie.nl/vereenvoudiging_belastingteruggaaf_oninbare_vorderingen.
De toevoegingen ‘(tot 2017)’ en ‘(vanaf 2017)’ gebruik ik enkel in gevallen waarin verwarring kan ontstaan over welke bepaling het betreft. Dit zal alleen het geval zijn bij art. 29 lid 1-3 Wet OB 1968. Art. 29 lid 4 Wet OB 1968 e.v. hebben per definitie betrekking op art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017).
Zoals zal blijken uit 4.3.1.1.5, lijkt de Hoge Raad tot uitgangspunt te nemen dat onder het ‘niet is en niet zal worden ontvangen’ van de vergoeding onder omstandigheden (voor zover er geen sprake is van een terugbetaling) ook de ‘ongedaanmaking van de handeling’ en de ‘prijsvermindering’ moet worden geschaard. Dit zou betekenen dat het ‘niet ontvangen’ onder art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017) een ruimere betekenis heeft dan de ‘niet-betaling’ onder art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (vanaf 2017). Ik acht dit twijfelachtig. Deze nuance doet in mijn optiek overigens niet af aan de inhoud van de in paragraaf 4.3.1.1 te bespreken jurisprudentie voor zover het gaat over de vraag onder welke omstandigheden een vergoeding geacht moet worden te zijn betaald in de zin van art. 29 Wet OB 1968.
Art. 29 lid 1 Wet OB 1968 bepaalt dat in geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de goederenlevering of dienst is verricht, de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd en er voor de ondernemer in zoverre recht op teruggaaf ontstaat van de door hem voldane belasting. Dit lid sluit naadloos aan bij de bewoordingen van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn, zij het dat het aan de verlaging van de maatstaf gekoppelde gevolg (het ontstaan van het recht op teruggaaf) in de Btw-richtlijn ontbreekt.
Het is voor het eerst dat wat betreft de oninbare vorderingen expliciet aansluiting wordt gezocht bij de bewoordingen uit de Btw-richtlijn. Onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) en de Wet OB 1954 werd immers niet gesproken over ‘niet-betaling’, maar over een recht op teruggaaf ‘voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen’. Uit de wetsgeschiedenis kan echter worden afgeleid dat met de invoering van ‘niet-betalen’ geen wijzigingen zijn beoogd ten opzichte van het ‘niet ontvangen’.1 Ook het feit dat art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (tot 2017)2 al richtlijnconform moest worden uitgelegd, vormt een argument voor de opvatting dat voor de uitleg van het begrip ‘niet-betaling’ te rade kan worden gegaan bij de uitleg die aan het ‘niet ontvangen’ werd gegeven.3
Deze paragraaf is als volgt opgebouwd. In paragraaf 4.3.1.1 behandel ik de vraag wat onder ‘niet-betaling’ moet worden verstaan. Paragraaf 4.3.1.2 staat vervolgens in het teken van het logische gevolg van de verlaging van de maatstaf van heffing: de teruggaaf van btw. Besproken wordt in welke situaties zich een teruggaaf van btw zal voordoen. In paragraaf 4.3.1.3 ga ik in op het vereiste dat art. 29 Wet OB 1968 alleen toepassing vindt als aanvankelijk een vergoeding in rekening is gebracht. Paragraaf 4.3.1.4 gaat vervolgens in op de vraag of ten onrechte gefactureerde btw, die op grond van art. 37 Wet OB 1968 verschuldigd is geworden, bij niet-betaling op de voet van art. 29 Wet OB 1968 voor teruggaaf in aanmerking kan komen. In paragraaf 4.3.1.5 zet ik de nationale regeling vervolgens af tegen het Unierecht en in paragraaf 4.3.1.6 ga ik in op de verhouding van art. 29 lid 1 Wet OB 1968 tot het rechtskarakter van de btw. Ik rond af in paragraaf 4.3.1.7
4.3.1.1 Gevallen van niet-betaling4.3.1.2 Teruggaaf van btw4.3.1.3 Vergoeding moet in rekening zijn gebracht4.3.1.4 Geen teruggaaf van ‘art. 37-btw’4.3.1.5 Verhouding tot het Unierecht4.3.1.6 Verhouding tot het rechtskarakter4.3.1.7 Slotsom