Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.6.8
7.6.8 De aandeelhouder als feitelijk beleidsbepaler
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS302589:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1980/81, 16631, nr. 3, p. 6. Ook artikel 2:216 lid 4 BW ziet blijkens de parlementaire geschiedenis op het tegengaan van deze vorm van misbruik: Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 74.
Meer recent is dit door de Minister ook bevestigd in het kader van artikel 2:216 lid 4 BW: Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 74.
Evenzo: Bartman & Dorresteijn 2013, p. 323; Lennarts 1999, p. 183.
Kamerstukken II 1980/81, 16530, nr. 3, p. 18; Dahmen 2014, p. 70; De Groot 2011, p. 120.
Bartman & Dorresteijn 2013, p. 323; Olaerts 2007, p. 195. De Groot, Lennarts en Dahmen gaan nog een stap verder door te betogen dat het handelen in hoedanigheid van aandeelhouder niet binnen het bereik van artikel 2:248 lid 7 BW valt (De Groot 2011, p. 121; Lennarts 1999, p. 178; Dahmen 2014, p. 70). De vraag is of een dergelijk onderscheid gemaakt kan worden. Zo zal, zoals hieronder nader wordt toegelicht, het actief gebruik van het instructierecht of het dreigen met ontslag/schorsing tot de kwalificatie van feitelijk beleidsbepaler kunnen leiden, terwijl dit bevoegdheden zijn (althans wordt gedreigd met bevoegdheden) die toekomen aan de aandeelhouder in zijn hoedanigheid als aandeelhouder. Zie in dit verband ook: Olaerts 2007, p. 196-197.
Evenzo: Bartman & Dorresteijn 2013, p. 324.
Timmerman 1988, p. 78.
Bartman & Dorresteijn 2013, p. 323.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 465; Barneveld 2014, p. 427.
Evenzo: Van Dijk 2012. Deze redenering is ook terug te lezen in de Memorie van Toelichting Ambtelijk Voorontwerp Wijziging van de faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid van een bestuursverbod (Wet civielrechtelijk bestuursverbod), p. 17: ‘Niettemin is onder omstandigheden denkbaar dat een aandeelhouder feitelijk het beleid bepaalt. Daarbij speelt de hoeveelheid aandelen die een aandeelhouder in de vennootschap heeft een rol. Verder is van belang hoe de uit de aandelen voortvloeiende zeggenschap wordt aangewend. Zo zal een enig aandeelhouder die het bestuur ontslaat en benoemd en actief gebruik maakt van zijn instructierecht sneller als feitelijk beleidsbepaler worden aangemerkt dan een minderheidsaandeelhouder die zich niet actief inlaat met het beleid van het bestuur.’
Treedt hij buiten zijn bevoegdheden als aandeelhouder, bijvoorbeeld door feitelijk beslissend te zijn bij de besluitvorming, dan kan dit anders liggen. Dan treedt de aandeelhouder buiten zijn hoedanigheid van aandeelhouder, als gevolg waarvan het risico van een kwalificatie als feitelijk beleidsbepaler meer voor de hand ligt. Zie vergelijkbaar: Olaerts 2007, p. 197; Terstegge 2014.
Zie in dit verband bijvoorbeeld: Van den Boogerd & Luten 2013, p. 78; Van Dijk 2012. Zij wijzen erop dat (de mogelijkheid tot) het geven van instructies tot het eerder aannemen van ingrijpmacht en een intensieve bemoeienis met het beleid van de vennootschap.
De feitelijk beleidsbepaler moet evenals statutair bestuurder aan de verplichtingen van artikel 2:10 en 394 BW voldoen (Huizink 2010 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 138, Aant. 20.2.).
Naast de voornoemde situaties kan een aandeelhouder onder bepaalde omstandigheden worden gekwalificeerd – en aansprakelijk gehouden – als feitelijk beleidsbepaler in de zin van artikel 2:138/248 lid 7 BW, artikel 2:216 lid 4 BW en/of artikel 36 lid 5 onder b Invorderingswet. In deze leden is bepaald dat voor wat betreft de aansprakelijkheid uit artikel 2:138/248 lid 1 en 2:216 lid 3 BW met de bestuurder gelijk kan worden gesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder. Deze bepaling is oorspronkelijk ingevoerd om misbruik van rechtspersonen te voorkomen en te bewerkstelligen dat de werkelijk leidinggevende van de vennootschap geen onvermogende derde naar voren schuift als statutair directeur (in de parlementaire geschiedenis wordt gewezen op zogenaamde ‘strolieden’).1 Hier moet de grond voor aansprakelijkheid niet worden gevonden in de hoedanigheid van aandeelhouder, maar in de aandeelhouder die wordt gekwalificeerd als feitelijk bestuurder.
Dat een aandeelhouder onder omstandigheden kan worden gekwalificeerd als een feitelijk beleidsbepaler wordt in de parlementaire geschiedenis bevestigd. De Minister verklaart hierover:
‘Gevraagd wordt, of nader kan worden aangegeven wat onder (mede) beleidsbepalers moet worden verstaan. Men kan daarbij denken aan personen binnen de vennootschap, bij voorbeeld een (groot) aandeelhouder of een commissaris, die een feitelijke machtspositie bekleden en van daaruit het bestuur beheersen en zijn beleid (mede) bepalen. Een volledige opsomming van de personen die als beleidsbepalers moeten worden beschouwd is echter niet te geven. Het zal immers sterk van de omstandigheden van het geval afhangen, wie als beleidsbepaler kan worden aangemerkt. Niet alle situaties die zich kunnen voordoen zijn van tevoren te voorzien. Inderdaad kan ook een moedervennootschap onder omstandigheden als beleidsbepaler worden aangemerkt.’2
En:
‘Een moedermaatschappij kan, zonder formeel bestuurder te zijn van haar dochter, toch als beleidsbepaler optreden wanneer zij in feite uit hoofde van haar machtspositie de leiding van de dochter in handen neemt en rechtstreeks haar wil oplegt aan de formele bestuurders.’3
Niet uitgesloten wordt dus dat een aandeelhouder onder omstandigheden als feitelijk beleidsbepaler wordt gekwalificeerd.4 Desalniettemin is het risico van aansprakelijkheid van de aandeelhouder op deze grond beperkt.5 De aandeelhouder moet zich daadwerkelijk als bestuurder hebben gedragen; hij moet één of meer daden van bestuur hebben verricht.6 Het normaal gebruik van bevoegdheden door de aandeelhouder of het uitoefenen van de centrale leiding binnen een concern maakt de aandeelhouder niet tot feitelijk beleidsbepaler.7 De bovengenoemde criteria van ingrijpmacht en intensieve bemoeienis brengen in beginsel ook geen kwalificatie als feitelijk beleidsbepaler met zich mee.8
De aandeelhouder lijkt wel een aansprakelijkheidsrisico te lopen wanneer hij disproportionele druk uitoefent op het bestuur.9 Zo wijzen Bartman en Dorresteijn erop dat een aandeelhouder die kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft afgedwongen bij het bestuur onder dreiging van ontslag en/of schorsing als feitelijk beleidsbepaler moet worden beschouwd.10 Zelfs wanneer deze druk zich beperkt tot één gebeurtenis kan de aandeelhouder worden gekwalificeerd als feitelijk beleidsbepaler.11 Ook andere (feitelijke of juridische) invloed van de aandeelhouder op het bestuur kan de kwalificatie van feitelijk beleidsbepaler met zich meebrengen, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan het instructierecht.12 Wordt dit gelieerd aan de glijdende schaal van hoofdstuk 6, dan loopt de aandeelhouder een reëel risico wanneer hij zich volledig op de linkerzijde van de glijdende schaal bevindt en toch zijn eigen belang blijft behartigen.
Dogmatisch is het kwalificeren van de aandeelhouder als feitelijk beleidsbepaler een vreemde eend in de bijt wanneer dit wordt gelieerd aan een bevoegdheid die de aandeelhouder in zijn hoedanigheid als aandeelhouder toekomt, zoals het instructierecht of de bevoegdheid de bestuurder te schorsen en ontslaan.13 Ook hierin komt mijns inziens de onvolledige handhaving van de duale structuur binnen het Nederlandse ondernemingsrecht terug. Immers, in een volledig duale structuur kan de aandeelhouder in zijn hoedanigheid als aandeelhouder nooit bevoegdheden uitoefenen die hem tot feitelijk beleidsbepaler maken. Het bestuur en de algemene vergadering van aandeelhouders staan immers naast elkaar en functioneren in beginsel autonoom. Juist in het instructierecht alsmede de bevoegdheid tot het benoemen, schorsen en ontslaan van de bestuurders komt naar voren dat geen sprake is van een volledig dualistische structuur en dat de aandeelhouder de uiteindelijke macht toekomt binnen de vennootschap, maar het zijn ook heel duidelijk aandeelhoudershandelingen en geen bestuurshandelingen.
De vraag is of deze uiteindelijke macht zou moeten worden vertaald in het risico op bestuurdersaansprakelijkheid of een verhoogde aansprakelijkheid in de hoedanigheid van aandeelhouder (op grond van onrechtmatige daad in het kader van een doorbraak van aansprakelijkheid).14 De wetgever heeft er klaarblijkelijk voor gekozen om de aandeelhouder het risico te laten lopen als (feitelijk) bestuurder te worden gekwalificeerd, met als achterliggende doel het tegengaan van misbruik van rechtspersonen. Ik kan mij voorstellen dat een andere weg, namelijk die van aansprakelijkheid in de hoedanigheid als aandeelhouder op grond van onrechtmatige daad, eveneens goed mogelijk was geweest (en is) en dogmatisch beter aansluit. Het gevolg zou wel zijn dat geen gebruik kan worden gemaakt van de bewijsvermoedens van artikel 2:138/248 lid 2 BW.15