Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/2.2
2.2 Verhaalsrechten
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686140:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hugenholtz/Heemskerk 2021, p. 367: “Het executierecht bevat de wettelijke regeling van de dwangmiddelen en van de wijze waarvan van staatswege die dwangmiddelen kunnen worden toegepast ter verwerkelijking van rechten, die in een rechtelijke uitspraak of in een andere executoriale titel zijn vastgelegd of erkend”.
Vgl. Krzeminski 2016, p. 1.
Art. 430 Rv bepaalt dat, naast uitspraken van de Nederlandse rechter, ook executoriale kracht hebben in Nederland verleden authentieke akten en andere bij wet als executoriale titel aangewezen stukken. Voor voorbeelden van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken zie de artikelen 4, 86 en 196 Fw, 485 lid 2 Rv, 12 jo 14 lid 1 Invorderingswet, 60 lid 2 Participatiewet en art. 554 Sv.
Vgl. Van Zeben, Du Pon & Olthof 1981b, p. 844. Het verhaalsrecht is overigens niet uitputtend in deze (algemene) titel neergelegd.
Deze regel wordt wel beschouwd als de eerste hoofdregel van het verhaalsrecht.
In beginsel, want artikel 3:276 BW geeft aan: “tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt”. Bij overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar kunnen bepaalde of alle goederen van de schuldenaar derhalve worden uitgezonderd van het verhaal. Vgl. Van Zeben, Du Pon & Olthof 1981a, p. 855-856. Daarnaast kan uit de wet volgen dat bepaalde goederen van het verhaal zijn uitgesloten. Enkele voorbeelden hiervan zijn: goederen bestemd voor de openbare dienst (art. 436 Rv en 703 Rv), gereedschappen van ambachtslieden en werklieden (art. 447 sub 2 Rv) en de beslagvrije voet bij periodieke betalingen die worden genoemd in art. 475c Rv (art. 475b lid 1 Rv). Notarissen en deurwaarders is het voorts bij wet (zie art. 25 Wna en artikel 19 Gdw) toegestaan een uitzondering te maken op het uitgangspunt van artikel 3:276 BW door middel van een zogenaamde kwaliteitsrekening ten behoeve van een derde. Advocaten en accountants kunnen eveneens een dergelijke rekening aanhouden voor de ontvangst van gelden die zijn bestemd voor derden. Vgl HR 3 februari 1984, NJ 1984/752 (Slis/Stroom). Zie ook HR 13 juni 2003, NJ 2004/196 (Beatrixziekenhuis/ProCall) waar de Hoge Raad onder meer oordeelde dat met verdere uitbreiding van de uitzonderingen op artikel 3:276 BW terughoudendheid moet worden betracht. Voor meer uitzonderingen zie Krzeminski 2016, p. 31-33.
Zie Van der Kwaak 1990, p. 100. In de (oudere) Franse literatuur wordt de relatie tussen de verbintenis die de schuldenaar aangaat en het instaan met zijn vermogen voor de nakoming wel kort en bondig weergegeven in het adagium: “qui s’est oblige, oblige le sien”. Zie nader Planiol 1917, nummer 180 en Baudry-Lacantinerie 1925, p. 643.
Vgl. Van der Kwaak 1990, p. 100.
Suijling 1923, p. 32-34, wijst erop dat het verhaalsrecht niet moet worden verward met “de zakelijke verbanden” die op een goed kunnen rusten. De eigenaar die op een goed pand- of hypotheekrecht verleent, geeft de hypotheek- of pandhouder tegenover iedereen de bevoegdheid om het bezwaarde goed te vervreemden teneinde zich uit de opbrengst te voldoen. In zoverre voert uitoefening van het pand- of hypotheekrecht tot hetzelfde resultaat als de uitoefening van het verhaalsrecht. Het verhaalsrecht is echter een aanspraak op overheidshulp bij de executie van het vermogen van de schuldenaar, terwijl hypotheek en pand als zakelijke lasten rusten op de daarmee bezwaarde goederen. Een ander verschil is dat een verhaalsrecht de schuldeiser in beginsel uitsluitend het recht geeft zich te verhalen op het vermogen van de schuldenaar, terwijl een pand- of hypotheekrecht ook kan worden gevestigd (en dus ook kan worden uitgewonnen) op goederen die niet in het vermogen van de schuldenaar vallen.
Vgl. Asser-Sieburgh 2020/33 en Rank-Berenschot 1992, p. 207.
Besloten, want artikel 3:276 BW heeft primair betrekking op de verhouding tussen een individuele schuldeiser en de schuldenaar onderling. De strekking van het artikel is om in die verhouding aan de betreffende schuldeiser een verhaalsrecht toe te kennen.
Onder concursus creditorum wordt letterlijk verstaan: samenloop van schuldeisers. Vgl. De Koninck 1997, p. 82.
Het executierecht1 geeft de schuldeiser van een schuldenaar, die nalaat de prestatie te verrichten waartoe hij gehouden is, de mogelijkheid de prestatie af te dwingen op grond van een executoriale titel.2 Die titel kan de schuldeiser verkrijgen, indien een op de voet van artikel 3:296 BW ingestelde vordering in rechte wordt toegewezen. De grosse3 van de beschikking4 of van het vonnis5 dat de schuldeiser vervolgens ontvangt, kan in heel Nederland ten uitvoer worden gelegd.6 Een dergelijke executoriale titel is in veel gevallen7 nodig om tot verhaal van een geldvordering over te gaan.
Boek 3 BW, Titel 10, genaamd: “verhaalsrecht op goederen”, bevat alle algemene bepalingen betreffende het verhaalsrecht op goederen en de rangorde die bij het verhaal in acht moet worden genomen.8 De titel vangt aan met artikel 3:276 BW dat luidt: “Tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt, kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen.”9
Artikel 3:276 BW slaat de brug van het persoonlijke recht van de schuldeiser naar het vermogen van de schuldenaar: schuldeisers hebben een verhaalsrecht op, in beginsel,10 het gehele vermogen van de schuldenaar.11 Het vermogen van de schuldenaar staat in voor de schuld en de schuldeiser kan daarop verhaal zoeken als de schuld niet wordt voldaan. Het met zijn vermogen instaan voor de schuld wordt ook wel Haftung genoemd,12 te vertalen als “verhaalsaansprakelijkheid”.13 Op grond van artikel 3:276 BW vloeit derhalve uit de verbintenis voor de schuldeiser, naast een vorderingsrecht, een verhaalsrecht voort. Voor de schuldenaar ontstaat daartegenover uit de verbintenis – naast de schuld – krachtens artikel 3:276 BW verhaalsaansprakelijkheid.14
In artikel 3:276 BW ligt besloten15 dat iedere schuldeiser van de schuldenaar een gelijk verhaalsrecht heeft (waarbij geldt: – bij de bespreking hierna zal ik deze toevoeging niet telkens noemen – tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt). Iedere schuldeiser van de schuldenaar kan verhaal zoeken op het vermogen van de schuldenaar. De schuldeisers zijn derhalve gelijk wat betreft de toegang tot het vermogen van de schuldenaar.
Juist het feit dat schuldeisers in het kader van de verhaalsuitoefening een gelijke positie innemen, betekent dat een verdelingsregel noodzakelijk is, voor het geval de som van de vorderingen van de schuldeisers hoger is dan de opbrengst die in het kader van de verhaalsuitoefening is gerealiseerd. In dat geval moet de opbrengst op grond van een bepaalde verdeelsleutel worden verdeeld. Indien drie schuldeisers voor een vordering van telkens € 100,00 ieder een gelijk verhaalsrecht hebben, terwijl € 50,00 beschikbaar is, zou zonder nadere verdelingsregel immers onduidelijkheid bestaan op welke wijze de beschikbare € 50,00 onder de schuldeisers verdeeld moet worden. Verdeling is derhalve geïndiceerd indien er sprake is van een concursus creditorum: twee of meer schuldeisers zoeken verhaal op een goed, terwijl de opbrengst van de executie ontoereikend is om een ieder te voldoen.16 De verhaalsgelijkheid biedt dan geen soelaas. Op welke wijze verdeling plaatsvindt, indien er sprake is van een concursus creditorum, wordt geregeld in artikel 3:277 lid 1 BW.