De Europese Executoriale Titel
Einde inhoudsopgave
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.2.0:5.2.0 Introductie
De Europese Executoriale Titel (BPP nr. III) 2005/5.2.0
5.2.0 Introductie
Documentgegevens:
Mr. M. Zilinsky, datum 02-03-2005
- Datum
02-03-2005
- Auteur
Mr. M. Zilinsky
- JCDI
JCDI:ADS375849:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zou de homologatie-beslissing onder de EET-regeling vallen, dan zou de opneming van een aparte regeling voor de waarmerking van een gerechtelijke schikking overbodig zijn. Een tussen partijen gesloten schikking die niet door een rechter is goedgekeurd, valt niet onder de EET-regeling. Zie voor de regeling van de EET-verlening op authentieke akten en op gerechtelijke schikkingen paragraaf 5.15.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De EET-Verordening is van toepassing op rechterlijke beslissingen, gerechtelijke schikkingen dan wel authentieke akten die betrekking hebben op een niet-betwiste schuldvordering (art. 6 EET-Vo). Art. 26 EET-Vo regelt het overgangsrecht en bepaalt dat de verordening slechts van toepassing is op na haar inwerkingtreding gegeven beslissingen, goedgekeurde of getroffen gerechtelijke schikkingen en verleden of als authentiek geregistreerde akten. De EET-Verordening treedt ingevolge art. 33 op 21 januari 2005 in werking. De verordening zal echter eerst vanaf 21 oktober 2005, met uitzondering van art. 30, 31 en 32, van toepassing zijn, opdat de lidstaten de tijd krijgen de voor de werking van de verordening benodigde gegevens bekend te maken. Art. 30, 31 en 32 zijn reeds vanaf 21 januari 2005 van toepassing. De consequentie hiervan is dat bijvoorbeeld een rechterlijke beslissing die na 21 januari 2005 gewezen is, na 21 oktober van 2005 met een EET gewaarmerkt kan worden, ook al dateert de beslissing van voor het van toepassing worden van de verordening. De beslissing is immers na de inwerkingtreding (na 21 januari 2005) gegeven. Inmiddels is op 3 december 2005 bij de Raad ingediend een voorstel tot wijziging van art. 26 EET-Vo. Volgens dit voorstel kunnen slechts beslissingen gegeven na de datum van toepassing van deze verordening (21 oktober 2005) met een EET worden gewaarmerkt.
Uit art. 4 onder 1 EET-Vo blijkt dat in de EET-regeling het begrip 'beslissing' uit art. 32 EEX-Vo is overgenomen. Hieronder wordt verstaan een beslissing van een rechter, ongeacht de benaming daarvan, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, en ongeacht de aard van het gerecht dat de beslissing heeft gegeven. De opsomming van de verschillende rechterlijke beslissingen die onder dit begrip vallen, bevat ook de term 'dwangbevel'. De opstellers hebben hierdoor blijkbaar willen aangeven dat ook een betalingsbevel dat verkregen is in het Duitse 'Mahnverfahren' of in andere vergelijkbare procedures, onder de EET-regeling valt. Nu volgens de definitie van de term 'beslissing' ook de vaststelling van de proceskosten door de griffier eronder valt, is het mogelijk dat in een contradictoire procedure na afloop waarvan de proceskosten door de griffier worden vastgesteld en waarvan de hoogte door de veroordeelde partij niet betwist wordt, een EET op de kostenvaststelling wordt verleend.
Van een beslissing is sprake indien de rechter zelfstandig een oordeel geeft over de zaak en niet indien hij bijvoorbeeld een schikking homologeert. Art. 24 EET-Vo bepaalt dat ook schikkingen die in de loop van een gerechtelijke procedure door de rechter zijn goedgekeurd, onder de EET-regeling vallen, mits sprake is van een schikking betreffende een niet-betwiste schuldvordering. Hieruit blijkt dat niet de homologatie-beslissing onder de regeling valt, maar de schikking zelf.1